Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Thomas van aquino

betekenis & definitie

Heilige, middeleeuws godgeleerde en wijsgeer (Aquino 1224/’25 abdij Fossanova 7 Mrt 1274), werd geboren op het stamslot Roccasecca te Aquino, halfweg Rome-Napels. Zijn vader, graaf Landulf van Aquino, een volle neef van keizer Frederik I Barbarossa, bracht hem op vijfjarige leeftijd als oblaat naar de aangrenzende Benedictijner-abdij van Monte Cassino, die hij in 1239 wegens de belegering daarvan door Frederik II moest verlaten.

Hij ging daarop naar de universiteit van Napels, waar hij in 1244 zeer tegen de zin zijner familie intrad in de jonge bedelorde der Dominicanen. Daarom werd hij op weg naar Parijs, waar hij zijn studiën zou voortzetten, op bevel van zijn moeder nabij Orvieto door zijn broers opgevangen en ruim een jaar vastgehouden op het ouderlijk slot. In 1245 opnieuw uit Napels vertrokken, was hij toen tot 1248 te Parijs de veelbelovende leerling van Albertus Magnus, die hem meenam bij zijn vertrek naar Keulen.In de jaren 1252-1259 viel zijn eerste optreden aan de Parijse universiteit. De faam, die van hem uitging, was oorzaak, dat hij naar Italië werd geroepen en van 1261-1268 werkzaam was aan het pauselijk hof te Anagni, Orvieto en Viterbo, en in het studiehuis zijner orde te Rome. Naar aanleiding van het nieuw ingestelde H. Sacramentsfeest (1264) vervaardigde hij in die jaren het beroemde officie van het H. Sacrament („Doctor eucharisticus”). Het jaar 1268 bracht hem weer naar Parijs, waar hij een afmattende strijd te voeren had tegen de bestrijders der bedelmonniken en het Latijns Averroïsme (z Siger van Brabant). In 1272 werd hij naar Italië teruggezonden om in Napels een „Studium Generale” der Dominicanen op te richten. Toen hij twee jaar later op last van paus Gregorius X zich van daar op reis begaf naar het Algemeen Concilie van Lyon, overviel hem nabij Ostia een dodelijke ziekte, waaraan hij na een kort verblijf in het naburige Cisterciënser-klooster van Fossanova aldaar op 7 Mrt 1274 bezweek.

Gelijk tijdens zijn leven ondervond Thomas’ leer ook nog na zijn dood veel tegenstand in de wetenschappelijke centra van Parijs en Oxford, waar eveneens van kerkelijke zijde verschillende zijner stellingen zelfs herhaaldelijk werden veroordeeld (z Peckham).Daartegenover stond echter een groeiend aantal verdedigers en het getij keerde ten volle, toen de “Doctor eximius” (uitmuntende leraar) 8 Juli 1323 werd heilig verklaard; 11 Apr. 1567 volgde zijn verheffing tot kerkleraar als de „Doctor angelicus” (engelachtige leraar); 4 Aug. 1880 tot patroon van het R.K. onderwijs; terwijl hij op 29 Juni 1923 bij gelegenheid van het zesde eeuwfeest zijner heiligverklaring als „Doctor communis” (universele leraar) aan alle priesterstudenten tot leidsman bij hun studiën werd aanbevolen. Feestdag 7 Mrt.

Thomas was in de eerste plaats theoloog; de filosofie stond bij hem, wiens gedachtenleven wel eens is gekenmerkt als „een spreken over God en met God”, in dienst van de theologie, waarvan ze nochtans zeer nadrukkelijk als volkomen zelfstandige wetenschap werd onderscheiden. Juist de beknopte, klare en eenvoudige wijze, waarop hij, „meer Aristoteliker dan Aristoteles zelf”, diens wijsgerige begrippen en beginselen in zijn monumentale Summa Theologica (handboek der theologie) methodisch heeft weten toe te passen en soms ook aan te passen, heeft hem gemaakt tot de „Prins der Scholastiek”. Gedurende zijn kort leven heeft hij in een lange reeks werken de steeds terugkerende filosofische en theologische problemen behandeld op een hem geheel eigen wijze (zie hieronder: Thomisme), die in de navolgende eeuwen tallozen ten voorbeeld was. De pausen verklaarden ze herhaaldelijk de meest veilige weergave van de leer der Kerk en het nieuwe kerkelijk wetboek (1917) noemt het een heilige plicht der seminarieprofessoren om „zich te houden aan de methode, de leer en de beginselen van de H. Thomas” (can. 1366, 2), welke uitspraak in de encyclieken „Studiorum ducem” (29 Juni 1923) en „Humani generis” (12 Oct. 1950) nog eens werd onderstreept. Daarbij werd echter uitdrukkelijk opgemerkt, dat omtrent kwesties, waarover gezaghebbende R.K. auteurs van mening verschillen, een ieder moet worden vrij gelaten die opvatting te volgen, welke hem de meest redelijke schijnt.

In de loop der eeuwen werd Thomas door tal van kunstenaars uitgebeeld: meermalen door zijn ordegenoot Fra Angelico, maar o.a. ook door Pinturicchio, Botticelli, Raphaël, Holbein, Dürer, Rubens, Zurbaran. Naar aanleiding van een visioen van Albert van Brescia (gest. 1314) wordt hij meestal voorgesteld met een schitterende en bij latere schilders tot een zon uitgegroeide steen op zijn borst en een boek in zijn hand. Talrijk zijn ook de zgn. „trionfi”, waardoor zijn overwinning op het Latijnse Averroïsme tot uitdrukking werd gebracht: op die van Benozzo Gozzoli (1420-1497) zien wij in het midden St Thomas met de opengeslagen Summa contra gentiles zetelend op een troon, geflankeerd door Aristoteles en Plato, terwijl Averroës aan zijn voeten ligt. Een dergelijke „triomf van St Thomas” werd nog door W. van Konijnenburg geschilderd in de Dominicaner-kerk te Zwolle. Nederland heeft wellicht zelfs de oudste, volgens Victor de Stuers uit 1337 daterende, voorstellingen van zijn levensloop bezeten (St Pauluskerk, Maastricht). De Leidenaar Otto van Veen (Vaenius, 15581629, leermeester van Rubens) vervaardigde op last van bisschop Ophovius een dertigtal tekeningen voor een geïllustreerde levensbeschrijving van de heilige (Antwerpen 1610). Van de niet minder talrijke plastieke voorstellingen mag het expressieve bronzen Thomas-beeld, door Aug. Falise voor de Nijmeegse universiteit vervaardigd (1926), als een der meest markante gelden.

PROF. DR I. J. M. VAN DEN BERG

Bibl.: Beh. de zelfstandig bewerkte Summa theologica (verscheidene gedeelten werden met Nederl. tekst van 1927 af uitgeg. te Antwerpen), Summa contra gentiles en Quaestiones disputatae et quodlibetales, omvat zijn oeuvre een groot aantal commentaren op de H. Schrift, op vele werken van Aristoteles, op Petrus Lombardus, Boethius en Proclus’ Liber de causis. Van de complete uitgaven noemen wij enkel de critische Editie Leonina, op last van Leo XIII in 1882 begonnen, en verwijzen verder, ook voor de talloze vertalingen, naar Hoog veld-Van den Berg, Inl. tot leven en leer van St Th. (1946, 36-54; 214-218) en P. Wyser, Th. v. Aq. (Bibliogr. Einführungen 13/14, Bern 1950).

Lit.: o.a. H. J. A. M. Schaepman, St Th. v. Aq. (Utrecht 1898) ; J. V. de Groot, De H. Thom. v. Aq. als wijsgeer (2i8g4); Idem, Het leven van den H. Th. v. Aq. (ai907; Fr. vert. 1909); L. H. Petitot, S. Th. d’Aq. (2ig23; Ned. vert. St. Th. v. Aq. Integrale levensschets, Voorhout 1947); B. H. Molkenboer e.a., St. Th. v. Aq. herdacht, in: De Beiaard 8, 1923 II, 385-492; A. D. Sertillanges, S. Th. d’Aq. (2 dln, Paris 1925); Johanna E. Kuiper, Th. v. Aq. (1927); Edg. de Bruyne, S. Th. d’Aq. Le milieu, l’homme,la vision du monde (Paris 1928); J. Maritain, Le docteur angélique (2i93o; Ned. vert. v. G. Steffens: Th. v. Aq. en zijn betekenis voor onze tijd, Brussel - Amsterdam 1950); F. Sassen, Th. v. Aq. (1934); G. K. Chesterton, St Th. Aq. (London 1947; Ned. vert. van H. Reynen, 1934); J. Wébert, S. Th. d’Aq. Le génie de l’ordre (1934); A. Walz e.a., Th. d’Aq. (Dict. de théol. cath. 15 I 1946, 618-761); M. Grabmann, Th. v. Aq. Persönlichkeit und Gedankenwelt (München ’1946; vrije Ned. bew. van Hoogveld-Van den Berg, Inl. tot leven en leer van St. Thom. v. Aq., 1946); A. Z. Serraud, S. Th. d’Aq. Sa vie militante et constructive d’après les anciennes chroniques (Paris 1947); G. Vann, St. Th. Aq. (New York 1948); M. Grabmann, L. Ott, Die Werke des hl. Th. v. Aq. (Münster i/W 1949); St. M. Gillet, Thom. d’Aq. (Paris 1949); L. de Wohl, The Quiet Light (London 1950; Ned. vert. van G. v. Eijsden: Het stille licht, Den Haag 1951: een romantisch gekleurde levensbeschrijving); P. L. Ferretti, Arte Sacra Italiana. S. Tommaso d’Aquino (Torino 1923); B. H. Molkenboer, St. Th. in de schilderkunst (in: A. v. Winckel en F. v. Goethem, St. Th. v. Aq., 1927, 143 vlg.), z verder lit. onder M. Grabmann, J. Maritain, Thomisme.

Thomisme

is het filosofisch en theologisch leerstelsel door Thomas van Aquino uitgewerkt en de Katholieken door het kerkelijk leergezag herhaaldelijk voorgehouden en aanbevolen als een betrouwbare en meest geschikte leidraad bij het bestuderen van filosofische en theologische vraagstukken.

Als zijn voornaamste wijsgerige beginselen en uitspraken werden door de H. Studiecongregatie op 27 Juli 1914 een 24-tal thesen uitgevaardigd. Fundamenteel is hierbij de aan Aristoteles ontleende en verder uitgewerkte theorie der universele samenstelling van al het geschapene uit twee reëel te onderscheiden intrinsieke elementen, die zich op analoge wijze verhouden als het materiaal van een of ander technisch product en de vorm, bij de bewerking daarvan er aan gegeven. Ze worden onderscheiden als het in aanleg aanwezige ding (potentie) en de vervoltooiing en verwezenlijking daarvan (act): de act is als zijnsafwerking of zijnsvervoltooiing op te vatten als een volmaaktheid, in het schepsel aanwezig naar de mate zijner potentie of vatbaarheid voor die volmaaktheid. Alleen bij God is deze samenstelling niet aanwezig: hij is pure zijnsvolmaaktheid, pure act. Als zodanig staat hij buiten en boven al het geschapene, waaruit zijn wezen nochtans op grond van een analoge overeenkomst (z analogia entis) ten dele kan worden gekend gelijk een oorzaak uit haar gevolgen (z natuurlijke theologie I, 2).

Er valt verder een drievoudige graad van zijnsafwerking te onderscheiden: in de wezensorde zijn alle stoffelijke dingen samengesteld uit een oerstof als puur potentieel wezenselement en een zelfstandigheidsvorm als eerste zijnsvervoltooiing (z hylemorphisme); in de bestaansorde wordt bij alle geschapen dingen een objectief aanwezig onderscheid gemaakt tussen hun al of niet samengesteld wezen en hun bestaan, die zich eveneens verhouden als potentie en act; en zo zijn ook in de orde der bijkomstigheden hun uit wezen en bestaan samengestelde zelfstandigheid en hun bijkomstigheden, m.n. hun werkzaamheden, weer als potentie en act tot een eenheid verbonden.

Deze drievoudige samenstelling vinden wij in heel de stoffelijke wereld, bestaande uit een opklimmende reeks van specifiek verschillende wezens (anorganica, planten, dieren en mensen), waarvan de hogere bestaansvormen, naast het specifiek eigene, steeds veronderstellen wat in de lagere aanwezig is. In de mens zijn lichaam en ziel de zich als oerstof en zelfstandigheidsvorm verhoudende wezenselementen. In het lichaam schuilt de grond zijner individuele bepaaldheid, terwijl de ziel principe is zijner specifieke natuur: zuivere geesten zijn bij gemis van een individualiserend stoffelijk principe als pure zelfstandigheidsvormen elk voor zich enig in hun soort. Bij haar specifieke werkzaamheid is de ziel enkel voorwaardelijk („extrinsiek”) afhankelijk van het lichaam: ze is een geest en oefent haar geestelijke werkzaamheid uit door haar verstand, dat al wat is kennen kan, en haar vrije wil, waardoor de mens als zelfstandige persoonlijkheid zijn eigen levensgang kan bepalen en zelf de middelen kan kiezen om te komen tot het hoogste goed, dat hem pas volledig zal bevredigen en tot rust doen komen. Het is dit einddoel, dat zin geeft aan het leven en voor Thomas uitgangspunt is zijner ethiek (z moraalfilosofie), waarin als beginsel geldt, dat het goede moet worden gedaan en het kwade moet worden gelaten, en als hoogste norm Gods Eeuwige Wet, die in het menselijk hart als natuurwet tot uitdrukking komt, welke natuurwet verder door positieve goddelijke en menselijke wetten nader kan worden bepaald en door het geweten wordt toegepast op het practisch handelen.

Tot de ethiek rekent Thomas ook vragen betreffende het natuurrecht, dat de verhouding regelt tussen de mensen onderling en waarin als beginsel geldt, dat aan ieder het zijne moet worden gegeven en als hoogste norm eveneens Gods Eeuwige Wet en de natuurwet. De mens is immers van nature een sociaal wezen, dat slechts in gemeenschap met anderen zijn mens-zijn tot volledige ontplooiing kan brengen. Deze natuurlijke behoefte tot samenleving komt pas ten volle tot haar recht in de burgerlijke staatsgemeenschap, die daarom als door God gewild is te beschouwen.

Als zelfstandig individu behoort de mens daartoe met heel zijn ondeelbare persoonlijkheid (totaal), maar toch niet onder ieder opzicht (totaliter): hij zal ook behoren tot andere gemeenschappen (gezin, kerk, beroepsstanden, vrije gemeenschappen). In zoverre geen gemeenschap van vrije en zelfstandige individuen bestaan kan zonder gezag, kan men zeggen, dat alle gezag komt van God. Daarentegen is de keuze van de staatsvorm en de aanwijzing der gezagsdragers aan de mens zelf overgelaten. De beste staatsvorm is volgens Thomas een gematigde monarchie in een staat, welke met het éne volk is gegroeid. Het staatsgezag vindt zijn begrenzing in het staatsdoel, het stoffelijk en in zekere zin ook het geestelijk welzijn van alle burgers (algemeen welzijn), voor wie een zekere materiële welstand in het algemeen onontbeerlijk blijkt om deugdzaam te kunnen leven. De uitoefening daarvan door positieve wetten mag niet in strijd komen met de natuurwet en de goddelijke geboden; ze moet de persoonlijkheid en de daaruit voortvloeiende rechten der burgers, zoals hun privaateigendom, eerbiedigen en zich bij het opleggen der lasten laten leiden door de eisen der „verdelende rechtvaardigheid”, zoals de individuen onderling steeds de „ruilrechtvaardigheid” dienen te betrachten. Ook de beginselen van het volkenrecht, dat de verhouding regelt tussen de verschillende landen onderling, worden door Thomas ethisch gefundeerd.

In tegenstelling met onze wijsgerige kennis, die uitgaat van onze dagelijkse ervaring om te eindigen bij God, gaat onze theologische kennis uit van een gelovig aanvaarde Openbaring Gods, vervat in de H. Schrift en de Traditie: ze wordt daarom door Thomas geen strikte wetenschap (scientia) genoemd, maar een heilige leer (doctrina). Beide worden streng gescheiden, waardoor zowel een overdreven rationalisme als supernaturalisme wordt vermeden. Ze worden echter niet gescheiden. De filosofie stelt de waarheden vast, door de theologie verondersteld, alsook de redelijkheid van het openbaringsgeloof waarop ze steunt; ze levert eveneens de begrippen en beginselen, waarmee in de theologie zelf de innerlijke rijkdom van de „schat des geloofs” wordt ontvouwd, de geloofsgeheimen wel niet worden bewezen, maar door analogieën en onderlinge vergelijkingen verhelderd worden en tegen mogelijke bezwaren verdedigd, en waaruit theoretische en practische conclusies worden getrokken, die er tot een systematisch geheel mee worden verbonden. In zijn Theologische Summa, een grootse synthese van al het theologisch weten, beschouwt Thomas vooreerst de éne en drieënige God in zijn natuur en als schepper en instandhouder van al het geschapene; aan de beschouwing van God als einddoel wordt dan de gehele zedenleer vastgeknoopt als een opgang en terugkeer van de mens tot God, van wie hij is uitgegaan, waarbij tevens de grondslagen aan de orde komen van elke gezonde ascese en mystiek (z mystiek 2 II 3); ten slotte wordt dan gesproken over de Verlosser, die ons die terugkeer tot God heeft mogelijk gemaakt en de sacramenten instelde als hulpmiddelen om ons die terugkeer te vergemakkelijken.

In het hedendaagse thomisme kan een zekere nuancering worden onderscheiden. De meest conservatieven beperken zich hoofdzakelijk tot een zo getrouw mogelijk weergeven en verklaren van de letterlijke tekst van Thomas; anderen streven naar een verrijken van het thomisme door er de waardevolle elementen der moderne wijsbegeerte aan toe te voegen en ze er telkens mee te confronteren ; de meest progressieven bedoelen een verdere ontwikkeling daarvan door de eeuwenoude menselijke problemen op een voor deze tijd beter verstaanbare nieuwe wijze te overdenken mèt Thomas, die geen eindpunt is, maar een leidster (Neo-thomisme). (z neo-scholastiek).

PROF. DR I. J. M. VAN DEN BERG

Lit.: W. H. Nolens, De leer van de H. Thom. v. Aq. over het recht (Utrecht 1890); R. Eucken, Thom. v. Aq. und Kant, ein Kampf zweier Welten (1901); J. Hoogveld, Voorschriften en

vingerwijzingen omtrent het wijsg. onderricht (Ned. Kath. Stemmen, 14, 1914, 355-370; vgl. 294-297, 346-348); A. D. Sertillanges, Les grandes thèses de ia philos. thomiste (Paris 1928); Idem, La philos. moraledeS. Thom. d’Aq. (21947); Idem, La philos. de S. Thom. d’Aq. (2 dln, 1950); E. Hugon, Les 24 thèses thomistes (Paris 1930); O. Lottin, Le droit naturel chez S. Thom. d’Aq. et ses prédécesseurs (Bruges 1931); H. Meyer, Die Wissenschaftsl. d. Thom. v. Aq. (Fulda 1934); Idem, Thom. v. Aq. Sein System und seine geistesgeschichtl. Stellung (Bonn 1938); E. Welty, Gemeinschaft und Einzelmensch nach den Grundsätzen d. hl. Thom. v. Aq. (1935); L. B. Geiger, La participation dans la philos. de S. Thom. d’Aq. (Paris 1942); G. Manser, Das Naturrecht in thom. Beleuchtung (Freiburg i/d Schw. 1944); Idem, Das Wesen des Thomismus (1948); E. Gilson, Le thomisme (Paris 61945); R. Garrigou-Lagrange, La synthèse thomiste (1946); P. Rousselot, L’intellectualisme de S. Thom. (Paris 1946); A. Silva-Tarouca. Thomas heute (Wien 1946); J. Legrand, L’Univers et l’homme dans Ia philos. de S. Thom. (2 dln, Bruxelles 1946); J. Hoogveld-I. van den Berg, Inl. tot leven en leer van St. Thom. v. Aq. (1946); R. E. Brennan, Thomistic Psychology (New York ’1946); A. O’Rahilly, Aquinas versus Marx (Oxford 1948); A. G. Pegis, Introd. to St. Thom. Aq. (New York 1948); J. van Boxtel, Existentie en waarde in de werken van de H. Thom. v. Aq. (T. v. Philos. 10. 1948, 209-288; 12, 1950, 59-133); A. Rzadkiewicz, The Philos. Basis of Human Liberty according to St. Thom. Aq. (Washington 1949); J Fuchs, Die Sexualethik des hl. Thom. v. Aq. (Köln 1949); J« L. Lagor, La philos. politique de S. Thom. (Paris 1949); G. Ardley, Aquinas and Kant (London 1950); M. D. Chenu, Introd. à l’étude de S. Thom. d’Aq. (Paris 1950); P. Wyser, Der Thomismus (Bibliogr. Einführungen 15/16 Bern 1951). Zie nog lit. onder M. Grabmann, J. Maritain, Scholastiek, Thomas van Aquino.

< >