ook Abelieten, Abelonieten of Abelioïten, waren volgens den H. Augustinus (de Haeresibus 87, Migne P.L. 42, 47) de leden van een christensecte, mogelijk van gnostisch-dualistische oorsprong, die in Noord-Afrika, vooral onder het landvolk, haar aanhangers telde, maar in Augustinus’ tijd reeds bijna was uitgestorven.
Man en vrouw leefden samen, maar onthielden zich, naar men beweerde in navolging van Abel, den zoon van Adam — vandaar hun naam — van alle geslachtsgemeenschap, adopteerden een jongen en een meisje, die van hen erfden op voorwaarde dat ze later dezelfde levenswijze zouden volgen en kinderen aannemen. Zo werd voorkomen, dat het genootschap zou uitsterven.Abelianen of Abelieten heetten ook de leden der Abelsorde, een geheim genootschap, dat in 1745 in Greifswald ontstond, een christelijk, zedelijk en philantropisch doel had, doch spoedig weer verdween.