Aalmoezenier betekenis & definitie

Dit woord is van denzelfden oorsprong als het voorgaande en de titel van dengene, die belast is met de ontvangst en de uitdeeling der aalmoezen. Hij is derhalve de tusschenpersoon tusschen den behoeftige en den weldadigen gever, die van meening is, dat de aalmoezenier beter weet dan hij, waar zijne gaven het nuttigst besteed kunnen worden.

Aan vele vorstelijke hoven zien wij de waardigheid van aalmoezenier of groot-aalmoezenier bekleed door geestelijken van hoogen rang. Zij werd in Frankrijk onder den titel van grand-aumônier de France het eerst ingesteld door François I. De groot-aalmoezenier was een der aanzienlijkste ambtenaren van het hof, doorgaans kardinaal, en had het opzigt over al de geestelijkheid. De meestberoemde aalmoezeniers van Frankrijk waren Pierre d’Ailly, Jean la Balue, Jaques Amyot, Richelieu (de broeder van den minister) en de Prins de Rohan. Die betrekking werd er opgeheven door de omwenteling der vorige eeuw, maar weder ingesteld door Napoleon I, die er zijn oom, den kardinaal Fesch, mede bekleedde. Vervolgens waren Talleyrand en de Prins de Croy groot-aalmoezeniers. Onder Lodewijk Philips is die waardigheid afgeschaft, terwijl zij thans weder luister bijzet aan het tweede Keizerrijk.

In Engeland heeft men den Herditary grand almoner, die bij de krooningsfeesten de medailles uitstrooit, en den Lord high almoner, die tweemaal jaars aan even zoo veel armen als de Koningin jaren telt een stuk zilvergeld uitdeelt — iets dat onder den naam van Queen’s bounty bekend is. Laatstgemelde waardigheid is gewoonlijk met die van Bisschop van Oxford vereenigd. Ook aan het hof te Madrid, Lissabon en Rio Janeiro vindt men een groot-aalmoezenier en te Rome een geheimen aalmoezenier.

Laatst bijgewerkt 27-06-2017