Frankrijk betekenis & definitie

Frankrijk, het meest westelijk gedeelte van het vasteland van Europa, in het Fransch „La France’’, in het Latijn „Franco-Gallia”, grenst ten noorden aan België en Luxemburg, ten oosten aan Pruissen, Zwitserland en Italië, ten zuiden aan de Middellandsche Zee en Spanje, en ten westen aan den Atlantischen Oceaan en het Kanaal. De eilanden bij de kust hebben eene oppervlakte van 9½ geogr. mijl, en het meer verwijderde Corsica heeft een uitgebreidheid van 159 geogr. mijl, zoodat de geheele oppervlakte van de tegenwoordige Fransche Republiek eene grootte heeft van bijna 9599½ geogr. mijl, eene bevolking dragende van ruim 36 millioen zielen. Door zijne ligging aan 2 zeeën, door zijne uitgebreide kusten (389 geogr. mijl), door zijne vele baaijen en voortreffelijke havens, door zijn klimaat, daar het besloten is tusschen 42°19' en 51°6' N. B., door zijn mild besproeiden en zeer afwisselenden bodem behoort Frankrijk tot de door de natuur meest gezegende oorden der wereld.

De bodem van Frankrijk bestaat in het algemeen uit vlakten en heuvelen, allengs afdalende naar de zijde van den Atlantischen Oceaan. Tot de gebergten behooren er in het zuiden de Pyreneeën, die den grensmuur vormen naar de zijde van Spanje, met den Mont-Perdu (4300 Ned. el hoog). Verder noordwaarts verheffen zich de Cevennes (1800 Ned. el hoog) met het Forez-gebergte (1600 Ned. el hoog) en het gebergte van Auvergne (1900 Ned. el hoog) en het Fransche Jura-gebergte (1700 Ned. el hoog), en verder noordwaarts de Vogézen, Argonnen en Ardennen, alle lage gebergten, voorts in het zuidoosten de ZeeAlpen (3400 Ned. el hoog), de Cottische Alpen (bijna 4000 Ned. el hoog), de Grajische en Penninische Alpen met vele vertakkingen in Provence en Dauphiné, alsmede eindelijk in het noordwesten de bergen van Bretagne (400 Ned. el hoog). Het laagland, zich uitstrekkend van de noordkust tot aan de Pyreneeën met eene lengte van 120 en eene breedte van 20 tot 60 geogr. mijl, beslaat eene oppervlakte van ongeveer 5000 geogr. mijl. Het is golvend van gedaante en van sterk vertakte rivieren doorsneden, zonder vele meren en moerassen, en — behalve in het zuidwesten — zonder groote heidevelden en zandvlakten. Over het geheel bestaat er de bodem uit kalk en krijt, bedekt met eene zeer dunne, maar zeer vruchtbare sliblaag. Die grond is mild besproeid. Men heeft er 4 hoofdstroomen, namelijk de Gironde (met de Ariège, Tarn, Lot en Dordogne) en de Loire (met de Allier, Cher, Indre en Vienne), die zich naar den Atlantischen Oceaan spoeden, de Seine (met de Aube en de Marne), die zich in het Kanaal uitstort, en de Rhône (met de Ain, Saône, Doubs, Isére en Durance), die naar de Middellandsche Zee afdaalt.

Voorts heeft men er nog onderscheidene kustrivieren, zooals de Adour, Charente, Orne, Villaine, Aude enz. Van de nieren is het Lac de Grandlieu (13 geogr. mijl) het grootste. Men vindt er bijna 100 bevaarbare kanalen met eene gezamenlijke lengte van ongeveer 600 geogr. mijl: hiertoe behooren het Canal du Midi, het Kanaal van Charolais, van Briare, van Bourgondië, van Bretagne, het Rhône-Rijnkanaal, enz. Het klimaat is er in het algemeen gematigd, zacht en aangenaam. Men vindt er 3 plantengordels, een zuidelijken (dien van den olijfboom) van 42—45° N. B., — een middelsten (dien van de maïs) van 45—48° N. B., — en een noordelijken (dien van den wijnstok) van 48—51° N. B. De gemiddelde temperatuur bedraagt er 17½, 15 en 10'/2°C.

Als voortbrengselen van den bodem vermelden wij alle soorten van graan en ooft, kostelijke wijnen, kastanjes en zuidelijke vruchten. De prachtige wouden van vroegeren tijd zijn er grootendeels uitgeroeid. In het dierenrijk zijn er vooral de zijdewormen, de visschen en de oesters van groot belang. Op het gebied der delfstoffen ontbreken goud en koper nagenoeg geheel en al, terwijl men er overvloed heeft van ijzer, steenkolen en bruinkolen. Ook vindt men er vele minerale bronnen, vooral aan den voet der Pyreneeën.

De digtheid der bevolking bedraagt er gemiddeld bijna 400 op de geogr. mijl. Er zijn 8 steden met meer dan 100000 inwoners, namelijk Parijs, Lyon, Marseille, Bordeaux, Rijssel, Toulouse, Nantes en Rouen. Gemelde bevolking bestaat uit omstreeks 32 millioen Franschen, afkomstig van Galliërs, Celten, Romeinen en Germanen (Franken, Bourgondiërs enz.), van welke 19 millioen de „langue d’oui” en 12½ de „Langue d’oc” of het Provengaalsch gebruiken. Voorts heeft men er 4 millioen vreemdelingen, zooals Italianen, Spanjaarden, Walen, Bretons, Basken, Duitschers, enz., en men telt er 89000 Israëlieten en 9000 Zigeuners. In 1866 leefden er bijna 52°/0 van den landbouw, bijna 29°/0 van de nijverheid, 4% van den handel, bijna 3% van bedrijven, die met de voorgaande in verband staan, zooals spoorwegen, crediet-instellingen enz., en 9½% kunsten en wetenschappen en als renteniers.

De hoogst dankbare bodem begunstigt er den landbouw ongemeen. Toch is deze met den ooftbouw en de veeteelt alleen in het noorden des lands van groot belang. De wijnbouw neemt er gestadig toe en beschikte in 1866 over eene uitgebreidheid van 380 geogr. mijl; hij is in 3 hoofdgroepen verdeeld, namelijk in die der Champagne-, Bourgogne- en Bordeauxwijnen. De opbrengst was in 1867 ongeveer 69 millioen Ned. vaten. In het zuidoosten des lands bloeit de zijdeteelt en levert er jaarlijks voor eene waarde van 109 millioen francs aan cocons. Een belangrijke tak van nijverheid is er voorts de kustvisscherij. De mijnbouw is er niet van zooveel gewigt als in België, Groot-Brittanje en Noord-Duitschland, hoewel de waarde der in 1866 opgedolven steenkolen 193 millioen francs bedroeg.

Veelomvattend is er de fabrieknijverheid, die zich hoofdzakelijk uitstrekt tot zijden stoffen, vooral te Lyon, St. Etienne, Nîmes, Avignon en Parijs, — tot wollen stoften, meerendeels in Normandië, Picardië, Vlaanderen en Parijs, — tot katoenen stoffen, inzonderheid te Rouen en te Rheims, — voorts tot lederwerk, werktuigen, uurwerken, porselein, scheikundige praeparaten, wapens, staal- en ijzerwaren, wijnen, likeuren, welriekende wateren, bronzen voorwerpen, glas, spiegels, papier, handschoenen, behangselpapieren, suiker, galanterieën en mode-artikelen.

De handel, die er door de lange kustlijn, de uitmuntende havens, de overzeesche bezittingen en de binnenlandsche kanalen en spoorwegen ongemeen bevorderd wordt, verheugt er zich in een krachtigen bloei. De waarde van den invoer bedroeg er in 1869 ruim 3174 en die van den uitvoer bijna 3097½ millioen francs. Tot de uitvoer-artikelen behooren er vooral wijn, brandewijn en visch, — en tot de invoer-artikelen graan, kalveren, runderen en paarden, ruwe zijde en tabak. De handelsvloot telde er tegen het einde van 1867 ruim 15600 schepen (waaronder 420 stoombooten) met eene ruimte van meer dan 1 millioen ton, en eene kustvloot van bijna 8900 vaartuigen met eene ruimte van 67000 ton. In 1867 zijn in de havens des rijks bijna 32600 schepen binnengeloopen en bijna 22000 uitgezeild.

Bij den aanvang van 1869 waren er 2346 3/5 geogr. mijl spoorwegen in gebruik en 1044 geogr. mijl in aanbouw. De belangrijkste binnenlandsche koopsteden zijn er Parijs, Lyon, Nîmes, Beaucaire, Montpellier, Toulouse, Rennes, Rijssel en Rouen, terwijl de voornaamste zeehandel gedreven wordt te Marseille, Bayonne, Bordeaux, Nantes, Hâvre, Dieppe en Duinkerken. Eene menigte van landbouw-, nijverheids- en handelsvereenigingen is er over het land verspreid. De voornaamste crediet-inrigting is er de „Bank van Frankrijk”, die in 1866 bijna 8300 millioen francs omzette.

De algemeene godsdienst is er de R. Katholieke. Men heeft er 17 aartsbisdommen en 69 bisdommen, en het aantal kloosters bedroeg er in 1862 ongeveer 4750. Hebben de overige gezindheden er ook gelijke staatkundige regten, toch zijn er slechts weinig meer dan ½ millioen Protestanten. Tot de inrigtingen van onderwijs behooren er, behalve de volledige universiteit te Parijs, 18 universiteiten in andere groote steden, 81 lycées, benevens een groot aantal colléges en Latijnsche scholen, — voorts 3 militaire académiën (te St. Cyr, La Flêche en Saumur), en 270 geleerde genootschappen, aan wier hoofd zich het „Institut” te Parijs bevindt, — en eindelijk ongeveer 78000 volksscholen. Het lager onderwijs laat er zeer veel te wenschen over, en het schoolverzuim is er een noodlottige kanker. Gestichten en instellingen van weldadigheid worden er ook in menigte gevonden.

In de tegenwoordige wel feitelijk gevestigde, maar nog niet wettelijk georganiseerde Fransche Republiek is de Code Napoléon nog steeds de grondslag der regtspleging. Volgens de staatsbegrooting voor 1874 zouden de uitgaven iets minder, de inkomsten iets meer dan 2500 millioen francs bedragen, terwijl de staatsschuld ongeveer 23 milliards francs beloopt. Het Fransche leger telde tijdens de organisatie van 1872 ongeveer 282000 man infanterie, 60000 man cavalerie, 51000 man artillerie, 9000 man genie en 8000 man voor administratie. Volgens genoemde organisatie maakt ieder Franschman, die geschikt is voor de dienst, gedurende 5 jaar deel uit van het leger en gedurende 4 jaar van de reserve, —voorts 5 jaar van de schutterij (armée territoriale) en nog 6 jaar van de reserve van deze. Er zijn 7 militaire districten, namelijk Parijs, Rijssel, Nancy, Lyon, Tours, Toulouse en Algiers. De belangrijkste vestingen zijn Duinkerken, Valenciennes, Calais, Arras, Douai, Cambray, Besançon, Briançon, Grenoble, Perpignan, Bayonne en Belfort.

Het actieve leger, dat volgens bovengenoemde regeling ruim 454000 man telt, kan echter volgens het ontwerp van den minister van Oorlog Cissey, in 1873 aan de Nationale Vergadering voorgelegd, op een millioen gebragt worden. De vloot moet volgens het jongste hervormingsplan bestaan uit 12 geblindeerde schepen van de eerste en evenzooveel van de tweede klasse, uit 20 gepantserde kanonneerbooten, 8 fregatten, evenzooveel corvetten, 38 advies- en 25 transportschepen, benevens 32 kanonneerbooten. Het personeel bestaat uit 2 admiraals, 12 vice-admiraals, 24 schout-bij-nachts, 100 scheeps- en 200 fregat-kapiteins, 640 luitenants en 128 andere officieren, voorts zee-genie, hydrographen enz. De voornaamste oorlogshavens zijn Cherbourg, Brest, Toulon, —voorts Lorient en Rochefort. — Het land was vóór 1790 in 17 gewesten, daarna in departementen — thans 86 in getal — verdeeld. De eenige ridderorde is er die van het Legioen van Eer, in verschillende rangen gesplitst. Parijs is de hoofdstad der Republiek.

Frankrijk bezit uitgestrekte koloniën in de andere werelddeelen, namelijk in Afrika (Algérië, Senegambië, Guinéa, Réunion, Ste Marie enz.) eene uitgebreidheid van 17124 geogr. mijl met bijna 4 millioen inwoners, — in Azië (Oost-Indië, Cochinchina) eene van 1031 geogr. mijl met bijna 1½ milloen inwoners, — in Amerika (Cayenne, Martinique, Guadeloupe St. Pierre en Miquelon) eene van 1702 geogr. mijl met nagenoeg 3 1/4 millioen inwoners, — en in Australie (Nieuw-Caledonië, Markiezen- en Loyalty-eilanden) eene van 376 geogr. mijl met 54000 inwoners. Daarenboven bezitten de Staten, die zich onder de hoede van Frankrijk hebben gesteld, eene uitgebreidheid van 1668 geogr. mijl met bijna 7 millioen inwoners.

De geschiedenis van Frankrijk is hoogst merkwaardig, omdat zij in het naauwste verband staat met de beschaving van Europa, zoodat wij daarvan eene beknopte schets laten volgen. Omtrent het oudste tijdperk vergelijke men de artikels Bourgondië, Franken en Gallië.

Wij maken dus hier eene aan vang met: Frankrijk onder het Karolingische Huis (843—987). Karei de Kale, door het verdrag van Verdun tot koning van West-Franken verheven, was niet bestand tegen zijne magtige vasallen en overleed in 877. — Hij werd opgevolgd door Lodewijk de Stamelaar (f879) — Lodewijk III en Karloman voerden gezamenlijk het bewind en kochten van den Duitschen Koning Lodewijk de Jongere den vrede voor den afstand van Lotharingen. Frankrijk werd in dien tijd geteisterd door de invallen der Noormannen. — Na den dood van Lodewijk (882) en Karloman (884) beklom Karel de Dikke den troon, doch hij werd afgezet en opgevolgd door graaf Odo van Parijs. — Met dezen deelde Karei de Eenvoudige, een jongere zoon van Lodewijk de Stamelaar, na 896 het bewind en werd na het overlijden van Odo (898) aileenheerscher. Hij beleende den Noorschen aanvoerder Rollo met Normandië en Bretagne, en werd door graaf Robert, een broeder van Odo, die zich als koning opwierp, in 923 bij Soissons geslagen. — Na den dood van Karel kwam Rudolf, hertog van Bourgondië, aan het bewind en stierf in 936. — Op dezen volgde Lodewijk IV (f 954), — op dezen zijn zoon Lotharius, en eindelijk zijn kleinzoon Lodewijk V, met wien in 987 de dynastie der Karolingen een einde nam. Het gezag berustte in die dagen in de handen der edelen en der geestelijkheid. Hierop volgde: Het Capetingische Huis (987—1328). Hugo Capet, graaf van Parijs en Orléans, hertog van Francia, werd koning in 987 en overleed in 996. — Onder zijne opvolgers Robert (996— 1031), Hendrik I (1031—1060) en Philippus 1 (1060—1108) boog zich het koningschap onder het juk der vasallen, doch deze werden door Lodewijk VI (1108—1137) weder tot afhankelijkheid gebragt. — Lodewijk VIl (1137—1180) streed te vergeefs tegen zijn magtigen vasal Hendrik II, Koning van Engeland. —Philippus II Augustus (1180—1223) onderwierp de weêrspannige vasallen, ontrukte aan den Engelschen Koning Jan zonder Land Normandië, Maine, Touraine, Anjou en Poitou en verhoogde door zijne zegepraal bij Bovines (1214 op Keizer Otto IV, den bondgenoot van Jan van Engeland, het gezag der kroon. — Lodewijk VIII verjoeg de Engelschen geheel en al uit Poitou. — Lodewijk IX de Heilige (1226—1270) verbeterde de regtspleging en verordende de Pragmatieke Sanctie als grondslag van de zelfstandigheid der Gallicaansche Kerk. — Philippus III (1270—1285) verkreeg Toulouse, Provence en Venaissin. — Philippus IV de Schoone bevestigde het centraal gezag door den leenadel te beteugelen, ontrukte Gascogne aan Eduard I van Engeland, en riep in 1302 de Rijksstanden bijeen, alwaar voor de eerste maal de afgevaardigden der steden als derde stand zitting hadden, terwijl hij de vrouwelijke leenen afschafte. — Lodewijk X (1314—1322) voerde oorlog tegen Vlaanderen. — Philippus V(1316—1322) begunstigde den burgerstand, verbeterde de regtspleging, en bragt de financiën in orde, — en Karel V (1322—1328) peinsde vooral op vermeerdering van de inkomsten der kroon. Daarop volgde: Het Huis van Valois (1328—1589).

Onder Philippus VI van Valois (1328—1350), een broederszoon van Philippus IV, nam de Engelsche Successie-oorlog een aanvang. Eduard III kwam door de overwinning bij Crecy (1346) in het bezit van Calais. — Jan I de Goede (1359—1364) werd bij Poitiers verslagen en gevangen genomen en kocht den vrede (dien van Bretigny in 1360) door geheel Aquitanië aan Eduard III van Engeland af te staan. Inmiddels kwamen de Staten-Generaal in het bezit van het regéringsgezag en er ontstond oproer, zoowel te Parijs als in het noorden van Frankrijk (Jacquerie). — Karel V (1364—1380) fnuikte het gezag der StatenGeneraal en bepaalde, dat de Koning op 14-jarigen leeftijd meerderjarig zou wezen. — Onder Karel VI (1380—1422) ontstond er oorlog met Engeland en met Vlaanderen, voorts muiterij en oneenigheid onder de Prinsen van den bloede, alsmede oproer te Parijs (1382). De Koning werd krankzinnig. Zijn broeder, hertog Lodewijk 1 van Orléans, streed met dien van Bourgondië om het regentschap. Eerstgenoemde werd in 1407 vermoord. Dientengevolge verrees er een hevige strijd tusschen de aanhangers van die twee mannen (Armagnacs en Bourguignons), waarna Hendrik V, Koning van Engeland, een inval deed in Frankrijk, de overwinning behaalde bij Azincourt (15 October 1415) en zich verbond met den hertog van Bourgondië, die in 1417 zich meester maakte van Parijs, maar in 1419 op aansporing van den Dauphijn vermoord werd. — Laatstgenoemde trok achter de Loire terug en voerde eerst als regent, daarna als koning Karel VII (1420—1461) een langdurigen oorlog met Engeland.

Dit geschiedde vooral door het optreden van Jeanne d'Arc met zoo gelukkig gevolg, dat de Engelschen na hunne nederlaag bij Castillon (17 Julij 1453) niets meer van Calais in bezit hielden. Lodewijk XI (1461—1483) beteugelde de wederspannige vorsten, bepaaldelijk die van Bretagne en Bourgondië, dempte de zamenzwering „Pour le bien public", en verkreeg door den Vrede van Arras (1482) aanspraak op een gedeelte van Bourgondië, waaruit langdurige oorlogen met het Huis Habsburg voortvloeiden. — Karel VIII (1483—1498) kwam in het bezit van Bretagne. Het koninklijk gezag was toen onbeperkt, zoodat de zucht naar verovering meer en meer ontwaakte. — Lodewijk XII (1498—1515) beijverde zich om orde te scheppen in de staatshuishouding en de regtspleging te verbeteren. Onder hem nam de strijd met het Huis Habsburg om Milaan en Napels een aanvang. — Frans I (1515—1547) moest bij den Vrede van Crespy (1544) afstand doen van Milaan. Frankrijk was ook onder zijn bewind eene absolute monarchie, waarin de Staten-Generaal door eene vergadering van Notabelen waren vervangen, terwijl het Parlement in een Hof van Justitie herschapen werd. — Hendrik II (1547—1559) verkreeg de bisdommen Metz, Toul en Verdun, sloot met Oostenrijk den Vrede van Château-Cambresis (1559), en vervolgde de Protestanten. — Onder Frans II (1559—1560), Karel IX (1560— 1574), Hendrik III (1574—1589) en Catharina dei Medici zochten de R. Katholieke Prinsen van Lotharingen (zie Guise) zich meester te maken van het bewind, terwijl de Bourbons als prinsen van den bloede zich aan het hoofd van hunne tegenstanders bevonden, en de Hugenoten-oorlog (1562—1589) het rijk met scheuring bedreigde. Nu volgde:

Het Huis van Bourbon. Hendrik IV (1589— 1610) herstelde de binnenlandsche rust door het Edict van Nantes (1598) en bragt belangrijke hervormingen in het bestuur. — Gedurende de minderjarigheid van Lodewijk XIII (1610—1643) werd eene wankelende staatkunde gevolgd, totdat Richelieu het roer van Staat in handen nam (1623). Toen werd alle vrije beweging aan banden gelegd en de onbeperkte monarchie hersteld. — Onder het veeljarig bewind van Lodewijk XIV, gedurende wiens minderjarigheid Mazarin regeerde, werd zoowel de adel als het Parlement beteugeld, waardoor de beweging der Fronde (1648—1654) veroorzaakt werd. Deze Koning verkreeg bij den Westfaalschen Vrede (1648) den Elzas en de Sundgau, werd bevestigd in het bezit der bisdommen Metz, Toul en Verdun, verwierf bij den Vrede der Pyreneeën (1659), evenals Spanje, een gedeelte der Nederlanden en het graafschap Roussillon, en bij den Vrede van Nijmegen Franche Comté en een gedeelte van Vlaanderen. Hij voerde door zijne uitspraak „L’etat c’est moi” het absolutisme ten top, bevorderde echter onder de leiding van Colbert de belangen van handel en nijverheid, maar beval de opheffing van het Edict van Nantes, vervolgde de Protestanten en deed hierdoor nieuwe volksbewegingen ontstaan. Voorts putte hij de schatkist uit door een 9-jarigen oorlog met Duitschland, Nederland, Engeland, Spanje en Savoye (1688—1697) en door den Spaanschen Successie-oorlog, zoodat de staatsschuld steeg tot 3500 millioen livres. — Gedurende de minderjarigheid van Lodewijk XV (1715—1774) werd het rijk bestuurd door hertog Philippus van Orléans (1715—1723). De geldelijke toestand des rijks was in dien tijd hoogst ongunstig. Wél had Fleury door zijn verstandig bestuur (1726—1743) dien aanmerkelijk verbeterd, doch die verbetering werd vernietigd door den Successié-oorlog en den Zevenjarigen Oorlog met Oostenrijk, door de geldverkwistende maîtressen-heerschappij aan het zedelooze Hof, en door de verdorvenheid van het geheele bestuur.

Bij den Vrede van Parijs (1763) gingen de Fransche koloniën meerendeels verloren. — Lodewijk XVI (1774— 1792) belastte Necker met de portefeuille van Financiën, waardoor een staatsbankroet voorkomen werd, hoewel hij in 1781 moest aftreden. Daarna werd door Colonne het staatscrediet op de ligtzinnigste wijze uitgeput, zoodat er een jaarlijksch te kort ontstond van 140 millioen livres. Dientengevolge kwam van 22 Februarij tot 25 Mei 1787 eene Vergadering van Notabelen bijeen. De Brienne, aartsbisschop van Sens en minister van Financiën , droeg 2 wetsontwerpen voor tot het heffen van belastingen, welke echter de goedkeuring van het Parlement niet erlangden, weshalve hij naar Troyes verbannen werd. Necker kwam op nieuw aan het hoofd van het geldelijk beheer, en de Staten-Generaal vereenigden zich den 25sten Mei 1789 te Versailles. Op aandrang van den abt Sieyès verklaarde zich den 17den Junij de derde stand Nationale Vergadering, en de Omwenteling nam een aanvang. Zoo komen wij tot: Frankrijks geschiedenis gedurende de Revolutie, (1789—1799). Het ontbieden van troepen en de verbanning van Necker veroorzaakten den 12den Julij 1789 een opstand te Parijs.

Twee dagen later werd de Bastille veroverd en vernield door het volk. Necker werd teruggeroepen, Bailly tot maire van Parijs en Lafayette tot bevelhebber der Nationale garde benoemd, waarna de Koninklijke Prinsen de wijk namen. Den 4den Augustus werden alle leenregten en persoonlijke lasten opgeheven en de regten van den mensch in de Nationale Vergadering afgekondigd. In November verdeelde men het land in 83 departementen, en in het begin van December verklaarde men de kerkelijke goederen het eigendom van de natie. Den 14den Julij 1790 legden de Koning, de staats-ambtenaren en de afgevaardigden der departementen den eed af op de nieuwe grondwet, en den 4den September ontving Necker zijn ontslag. Voorts ontstond er eene geweldige beweging in de politieke clubs, — vooral in die der Jacobijnen. De adel verliet het land, en in Duitschland ontstond een korps van uitgewekenen. Ook Lodewijk XVI poogde zich den 20sten Junij 1791 door de vlugt te verwijderen, maar werd te Varennes aangehouden en teruggebragt naar Parijs.

Den 14den September bezwoer hij de nieuwe constitutie, volgens welke de wetgevende magt aan de Nationale Vergadering en de uitvoerende met een veto aan den Koning was opgedragen. Den laatsten September werd de Constituante gesloten en daags daarna het Wetgevend Ligchaam geopend. Geweldig bleef steeds de strijd der partijen, vooral der Girondijnen (Constitutionélen) en der Jacobijnen (Republikeinen). Er werden decreten uitgevaardigd tegen de emigranten en tegen de priesters, die den eed op de nieuwe grondwet weigerden af te leggen, waaraan echter de Koning zijne goedkeuring onthield. Den 20sten April 1792 besloot men oorlog te voeren tegen Oostenrijk. Den 10den Augustus deed het oproerige volk een aanval op de Tuilerieën, en de Koning zocht veiligheid bij de Nationale Vergadering. Hij werd echter drie dagen later als een gevangene naar den Temple gebragt. Inmiddels rukte het Pruissische leger op en drong voorwaarts in Champagne.

Hierdoor ontstond eene dweepzieke opgewondenheid bij het volk te Parijs, zoodat van 2 tot 4 September de Koningsgezinden, die zich in de gevangenissen bevonden, aldaar vermoord werden. Den 20sten September werd het Wetgevend Ligchaam ontbonden en vervangen door de Nationale Conventie, waarin de Jacobijnen (de Bergpartij) de meerderheid hadden. Den 25sten daaraanvolgenden werd Frankrijk eene republiek verklaard, waarna men den 20sten Januarij 1793 den Koning ter dood veroordeelde en den volgenden dag guillotineerde. Inmiddels ontstond er eene dreigende volksbeweging in de Vendée, alsmede eene buitenlandsche coalitie tegen de Republiek, waartoe zich Engeland, Nederland, Spanje, Napels en het Duitsche Rijk verbonden hadden. Het Schrikbewind nam een aanvang; eene revolutionaire regtbank werd den 9den Maart opgerigt, en België door Dumouriez veroverd. Den 6den April ontstond het Comité du salut public, — den 2den Junij werd de partij der Girondijnen vernietigd, — den 10den Augustus door de Conventie de nieuwe, zuiver-democratische grondwet bezworen, doch de invoering tot aan het einde van den oorlog verschoven. Nu stond onder de leiding van Carnot het volk in massa op, om strijd te voeren, doch den 29sten Augustus moest Toulon zich toch overgeven aan de Engelschen. Den 6den October verklaarde men den republikeinschen kalender met 10-daagsche weken enz. van kracht, en de eeredienst der rede verving de godsdienst.

In die maand woedde het Schrikbewind te Lyon, en tegen het einde van November viel Toulon weder in handen der Franschen. Den 13den Maart 1794 deed Robespierre de ultra-revolutionaire Hebertisten vallen en den 24sten daaraanvolgenden naar het schavot brengen, waarna het driemanschap ontstond van Robespierre, St. Just en Couthon. Den 7den Mei werd door een besluit van Robespierre het bestaan van het Hoogste Wezen erkend, terwijl de slagtoffere dagelijks bij troepen uit de gevangenissen naar de guillotine werden gebragt. Eindelijk moesten den 18den Julij ook Robespierre en zijne medestanders het schavot beklimmen, waarna het Schrikbewind een einde nam. Den 11den November werd de club der Jacobijnen gesloten; de legers der, Republiek rukten voorwaarts in de Rijnstreken en in Holland, waarna in 1795 de Vrede met Pruissen en vervolgens met Spanje gesloten werd. Den 26sten October van dat jaar maakte de Nationale Conventie plaats voor het Directoire, bestaande uit den Raad van Vijfhonderd en den Raad der Ouden, terwijl de uitvoerende magt aan een Directoire van 5 leden was toevertrouwd. In 1796 werd de opstand in de Vendée onderdrukt, waarna Bonaparte zegepraalde in Italië, Jourdan en Moreau over den Rijn trokken, en Joubert doordrong in Tyrol.

Steeds bleef de verdeeldheid tusschen de Democraten en de Royalisten voortwoelen, terwijl deze laatsten bij de aanvullingsverkiezingen van 20 Mei 1797 de overhand behielden in de vertegenwoordigende ligchamen. In September van dat jaar volgde, wegens den geldelijken nood, de tiercéring of de vermindering der staatsschuld op een derde. De staatsstreek van 18 Fructidor (5 September) verwijderde de Koningsgezinde leden uit de beide afdeelingen van den Raad, waarna de Republikeinsche partij weder het gezag in handen kreeg. Den 17den October kwam de Vrede met Oostenrijk, die van Campo Formio, tot stand, en den l9den Mei 1798 vertrok Bonaparte naar Egypte. Nu ontstond er eene tweede coalitie tegen de Republiek, waartoe Engeland, Oostenrijk, Rusland, Napels en de Porte zich vereenigden.

Dientengevolge vertrokken in den aanvang van 1799 Fransche troepen naar Piémont en Napels, terwijl Jourdan aan den Boven-Rijn en Moreau in Opper-Italië teruggedrongen werden. De verkiezing van dat jaar bezorgde bij voortduring het overwigt aan de Republikeinsche partij. De beide hoogste Staatsligchamen riepen het Directoire ter verantwoording wegens de gesteldheid van Frankrijk, waarna het Fransche leger voorspoedig streed, aan den Rijn en Napoleon uit Egypte terugkeerde , om den 18den Brumaire (9 November) met geweld van wapenen het Directoire te vernietigen, een Voorloopig Bewind van hemzelven, Sieyès en Roger Ducos in te stellen en de vergadering van het Wetgevend Ligchaam tot den 20sten Februarij te verdagen. Hierdoor ontstond:

Het Consulaat (1799—1804). De nieuwe constitutie van het jaar VIII (7 Februarij 1800) schonk het staatkundig gezag aan 3 consuls, van welke de eerste als hoofdpersoon door de 2 andere werd terzijde gestaan. Bonaparte werd tot lsten consul benoemd, terwijl Cambacères en Lebrun hem werden toegevoegd, — alle voor een tijdperk van 10 jaar. Men benoemde een Sénat Conservateur (Behoudenden Senaat) van 80 personen, welke de leden van het Wetgevend Ligchaam koos, die, ten getale van 300, over de wetsontwerpen der consuls beslisten, terwijl een Tribunaat van 100 leden over gemelde wetsontwerpen oordeelde. Den 18den Januarij 1800 werd vrede gesloten met de Vendée, en Napoleons overwinning bij Marengo (14 Junij) besliste over het lot van Italië, waarna de zegepraal van Moreau bij Hohenlinden (3 December), gevolgd door den Vrede van Luneville (9 Februarij 1801), den Rijn tot grensrivier van Frankrijk aanwees.

Den 8sten October 1801 werd de Vrede met Rusland, daags daarna die met Turkije, en den 27sten Maart —de Vrede van Amiens — die met Engeland gesloten. Den 15den augustus 1801 werden de regten der R. Katholieke Kerk erkend, — voorts werd door een Senaatsbesluit eene algemeene amnestie ten behoeve der emigranten uitgevaardigd. In Mei 1802 zag zich Bonaparte op nieuw tot consul voor een tijd van 10 jaar, den oden Augustus tot consul voor levenslang benoemd, waarna men hem den 18den Mei 1804 tot erfelijk Keizer van Frankrijk verhief, terwijl de Senaat en het Wetgevend Ligchaam onderworpen werden aan den wil van den monarch. Zóó ontstond:

Het eerste Keizerrijk. Den 2den December 1804 werd Napoleon door paus Pius VIl te Parijs tot Keizer gezalfd, waarop de benoeming volgde van grootwaardigheidsbekleeders en hof-ambtenaren, de instelling van 31 rijkbegiftigde senatorsplaatsen, alsmede van een keizerlijk geregtshof, dat te oordeelen had over hoogverraad en over alle misdaden tegen den Staat en den Keizer. Den 4den Junij 1805 werd de Ligurische Republiek (Genua) en den 21sten Julij Parma en Piacenza met Frankrijk vereenigd. Er ontstond eene derde coalitie tegen dat land, waaraan Engeland, Oostenrijk, Rusland en Zweden deel namen. De FranschSpaansche vloot werd wel den 21sten October 1805 door de Engelschen bij Trafalgar vernietigd; maar de overwinningen van Napoleon bij Ulm (17 October) en Austerlitz (2 December) werden achtervolgd door den Vrede van Presburg (26 December) met Oostenrijk, en hij zag zich den 12den Julij 1806 benoemd tot protector van den Rijnbond, terwijl hij de Bataafsche Republiek in het koningrijk Holland herschiep en onder den schepter plaatste van zijn broeder Lodewijk. In October van dat jaar werd Prnissen in de veldslagen bij Jena en Auerstadt overwonnen, en daarna eindigde de oorlog van Rusland, Pruissen, Engeland en Zweden tegen Frankrijk met den Vrede van Tilsit (7 en 9 Julij 1807). Den 19den Augustus van dat jaar werd het Tribunaat opgeheven en vervolgens het continentaalstelsel ingevoerd, Portugal door Fransche troepen bezet (November 1808), en Joseph Bonaparte op den Spaanschen troon geplaatst, terwijl voorts de Kerkelijke Staat in Frankrijk werd ingelijfd (17 Mei 1809). Daarna eindigde de vierde oorlog van Oostenrijk en Engeland tegen Frankrijk door Napoleons zegepraal bij Wagram (5 en 6 Julij 1809) en door den Vrede van Weenen (14 October).

De Illyrische gewesten werden aan Frankrijk toegevoegd, waarna eene hervorming der regtspleging tot stand kwam. Handel en nijverheid begonnen te bloeijen. Den 9den Julij 1810 werd het koningrijk Holland, den 12den November Walliserland, en den 10den December de monden van de Eems, Weser en Elbe benevens de Hansé-steden in het Keizerrijk opgenomen. De tegenstand van Rusland tegen het continentaalstelsel gaf aanleiding tot een nieuwen oorlog, en den 14den September 1812 trok Napoleon binnen de muren van Moskou, doch het groote leger werd op zijn terugtogt bijna geheel vernietigd. Nu ontstond de oorlog van Rusland en Duitschland tegen den Keizer (Maart 1813). Op de veldslagen van Lützen (2 Mei) en Bautzen (21 Mei) volgde een wapenstilstand van 4 Junij tot 17 Augustus. Na vruchtelooze vredesonderhandelingen te Praag voegden zich Oostenrijk en Zweden bij de Verbondene Mogendheden, en terwijl Napoleon bij Dresden de overwinning behaalde (26 en 27 Augustus), werden zijne generaals Oudinot bij Groszbeeren (23 Augustus), Macdonald aan de Katzbach (26 Augustus), Vandamme bij Kulm (30 Augustus) en Ney bij Dennewitz (6 September) geslagen. Beslissend ten nadeele van Frankrijk was de volkerenslag bij Leipzig (16, 18 en 19 October), waarna de Franschen terugtrokken over den Rijn.

De Senaat, zich niet kunnende vereenigen met de politiek des Keizers, werd ontbonden. In den aanvang van 1814 trokken de geallieerden over den Rijn, behielden de overhand bij Brienne (1 Februarij); maar trokken terug naar Chalons en Troyes. Het vredescongres te Chatillon (5 Februarij tot 19 Maart) bleef zonder gevolgen, en den laten Maart werd te Chaumont een verdrag gesloten tusschen Rusland, Pruissen, Oostenrijk en Engeland ter bestrijding van Napoleon en tot herstel van den vrede in Europa. De Verbondene Mogenheden zegepraalden bij Laon (9 en 10 Maart), Arcis-sur-Aube (20 Maart), La Fère-Champenoise (25 Maart) en Parijs (30 Maart), waarna zij den 31sten Maart de hoofdstad van Frankrijk binnentrokken. De Senaat benoemde den 2den April een Voorloopig Bewind, verklaarde Napoleon en zijn geslacht vervallen van den troon, en riep de Bourbons terug. De Keizer deed afstand van zijn gezag op den llden April ten behoeve van zijn zoon en begaf zich den 20sten daaraanvolgende in ballingschap naar Elba, waarna Lodewijk XVIII den 3den Mei 1814 te Parijs verscheen. Zóó volgde:

De eerste Restauratie (3 Mei 1814 tot 19 Maart 1815). Lodewijk XVIII (1814—1824) verwierp de door den Senaat voorgedragene constitutie en verleende den 4den Junij eene nieuwe charte. Frankrijk, volgens den eersten Vrede van Parijs binnen de grenzen van 1792 besloten, behield echter Avignon, Venaissin en de helft van Savoye, en kreeg van Engeland zijne koloniën terug, met uitzondering van de eilanden Tabago, St. Lucia en Isle de France. De regéring onderscheidde zich intusschen vooral door reactionaire maatregelen, door invoering der boekencensuur, door uitbreiding van de magt der policie, door schennis van de zelfstandigheid der regtbanken, terwijl het leger aanmerkelijk verminderd werd. Den lsten Maart 1815 echter landde Napoleon bij Fréjus, en den 14den daaraanvolgenden nam Lodewijk XVIII de vlugt naar Gent. Nu begon:

Het tijdperk der Honderd Dagen (20 Maart tot 21 Junij 1815). Op den 20sten Maart verscheen Napoleon te Parijs met de belofte van eene regtvaardige en vredelievende regéring. Eene additionele acte van 22 April wijzigde de grondwet des Keizerlijks in den geest van die van Lodewijk XVIII, en bevestigde het bestaan eener Kamer van erfelijke pairs en van eene Kamer van Afgevaardigden, welke voor een tijd van 5 jaar werden benoemd. Zij werd op den lsten Junij op het Veld van Mars plegtig bezworen. Den 25sten Maart kwam een verbond tegen Napoleon tot stand tusschen Oostenrijk, Rusland, Pruissen en Engeland, waarbij ook Nederland zich voegde. Napoleon behaalde de overwinning bij Ligny (16 Junij), maar werd den 18den Junij in den Moedigen slag bij Waterloo overwonnen, en deed den 2lsten Junij te Blois afstand van het gezag ter gunste van zijn zoon. Er werd een Voorloopig Bewind benoemd te Parijs, en den 3den Julij werd door Blücher en Wellington eene militaire conventie gesloten met maarschalk Davoust, volgens welke het Fransche leger achter de Loire terugtrok. Den 7den Julij had de intogt plaats der Verbondene Mogendheden in Parijs, 2 dagen later gevolgd door de komst van Lodewijk XVIII.

Den 20sten November sloot men den tweeden Vrede van Parijs, waarna Frankrijk zich houden moest binnen de grenzen van 1790, zoodat het Philippeville, Saarlouis, Mariënburg en Landau, het hertogdom Bouillon, een gedeelte van het departement Bas-Rhin, het landschap Gex en Savoye verloor, en 700 millioen francs voor oorlogskosten betalen moest. Zeventien vestingen bleven voorts door de Verbondene Mogendheden voor den tijd van 5 jaar bezet, en gedurende dien tijd moest het een bezettingsleger van 150000 man onderhouden. Nu volgde: De tweede Restauratie (1815—1830). In September kwam de hertog de Richelieu aan het hoofd van het ministérie. De eischen der ultrakoningsgezinden kenden geene grenzen; de Protestanten werden vervolgd te Marseille en te Nimes, en er werden inconstitutionéle uitzonderingswetten afgekondigd. Den 12den November 1818 trad Frankrijk toe tot het Vredeverbond der Groote Mogendheden, waarna den 28sten December het vrijzinnig ministérie Dessolles bezweek voor de overdrijvers van beide partijen. Het ministérie Decazes (19 November 1819), in gematigd-koningsgezinden geest werkzaam, zocht door eene nieuwe kieswet een overwegenden invloed te verschaffen aan de grondbezitters en de openbare meening door uitzonderingswetten in bedwang te houden. Van November 1819 tot Julij 1820 woedden er hevige partijtwisten in de Kamers, waarna de moord, aan den hertog van Berri gepleegd (20 Februarij 1820), de overmagt bezorgde aan de ultra-koningsgezinden, zoodat Decazes den 18den Februarij aftrad.

De hertog de Richelieu werd weder eerste minister, de censuur hersteld, en het aantal Afgevaardigden van 258 tot 430 vermeerderd. Zoo behaalde het monarchaal-aristocratisch regeerstelsel de overwinning op het burgerlijk liberalismus. Den 4den September 1822 werd Villèle eerste minister, en in 1823 had de Fransche tusschenkomst in Spanje plaats ter gunste van het absolutismus. — Karel X (1824—1830) beloofde eerbied voor de grondwet, schafte den 29sten September 1824 de censuur af, en werd den 29sten Mei 1815 te Rheims gekroond. De verkiezingen van 1827 waren intusschen ongunstig voor de regéring, en de Nationale garde te Parijs werd ontbonden wegens haar anti-ministériëlen geest. In Julij kwam een verdrag tot stand van Frankrijk met Engeland en Rusland ter gunste van Griekenland, en in den aanvang van 1828 werd het ministérieVillèle door het ministérie-Martignac vervangen. Morea zag zich door Fransche troepen vrijgemaakt van de Turksche heerschappij. Ten gevolge van hevige aanvallen viel het ministérie, en prins de Polignac, een tegenstander der grondwet, zocht als eerste minister en minister van Buitenlandsche Zaken populariteit te verwerven door eene expeditie naar Algiers, dat den 5den Julij 1830 veroverd werd. Den 16den Mei ontbond hij de Kamer van Gedeputeerden wegens haar adres, dat een votum van wantrouwen behelsde, doch in de Nieuwe Kamer werden 226 onderteekenaars van dat adres herkozen.

Den 26sten Julij werden de ordonnanciën uitgevaardigd, die de vrijheid van drukpers schorsten, eene nieuwe wijze van verkiezing voorschreven en de reeds bijeen geroepene Kamers ontbonden. Een en ander gaf aanleiding tot de Julij-revolutie (27—29 Julij 1830). Een voorloopig bewind, bestaande uit Lafayette, den hertog de Choiseul en generaal Gérard, alsmede eene commissie uit het stadsbestuur van Parijs verklaarden Karel X vervallen van den troon, waarna Pairs en Afgevaardigden, tot een Wetgevend Ligchaam vereenigd, de regéring opdroegen aan Lodewijk Philips, hertog van Orléans, als luitenant-generaal des rijks. Deze aanvaardde zijne betrekking den 30sten Julij, terwijl Karel X den 2den Augustus afstand deed van de kroon ten behoeve van den hertog van Angontême, die zijne regten afstond aan van den hertog van Bordeaux (graaf van Chambord) waarna Karel den 16den Augustus zich inscheepte naar Engeland. De herziene grondwet huldigde het beginsel der volkssoevereiniteit, schafte de censuur af, verleende het initiatief der wetgeving aan de Kamers, en werd den 9den Augustus door den hertog van Orléans bezworen, die daarna als Lodewijk Philips I, Koning der Franschen, den troon beklom. Alzoo volgde:

Het regérings tijdperk van Lodewijk Philips (1830—1848). De nieuwe Koning stelde bij de Groote Mogendheden zich borg voor den vrede van Europa. Tot zijne tegenstanders in Frankrijk behoorden de Republikeinen en de gematigd-Democratische partij van Lafitte en Lafayette, terwijl hij gesteund werd door de Doctrinairen (Guizot). De ministériën volgden elkander als op den voet. Dat van de Broglie, (13 Augustus) werd door dat van Lafitte (2 November), en dit doordat van Casimir Périer (13 Maart 1831) vervangen. Dit laatste vertegenwoordigde het juiste midden (juste milieu) tusschen het doctrinaire stelsel en dat des vredes, zoodat het de Democratie in het harnas joeg. Er ontstond in November 1831 oproer te Lyon, alsmede den 5den Junij 1832 eene volksbeweging te Parijs ter gelegenheid der begrafenis van generaal Lamarque. Ook de Legitimisten zaten niet stil, en de bewoners der Vendée werden opgehitst door de hertogin van Berri.

In October 1832 kwam het ministérie SoultBroglie-Thiers-Guizot-Humann tot stand, en de pogingen der regéring, om de politieke clubs te onderdrukken, bragten Lyon (9 April 1834) en Parijs (13 April) in opstand. In Julij 1834 werd Gérard de opvolger van Soult, en den 18sten November kreeg het doctrinaire ministérie Mortier-GuizotThiers-Duchâtel het bewind in handen, terwijl den 20sten Februarij daaraanvolgende het voormalige ministérie de Broglie in het gezag hersteld werd. 's Konings persoonlijke regéring maakte intusschen de verantwoordelijkheid van het ministérie tot eene hersenschim. Den 28sten Julij 1835 had de aanslag plaats van Fiéschi, waarna door de Septemberwetten de vrijheid der drukpers en de regtspraak door gezworenen beperkt werd. Den 22sten Februarij 1836 ont stond het ministérie Thiers-Sauzet-Montalivet, en den 25sten Julij geschiedde de aanslag van Alibaud. Den 7den September kwam het ministérie Molé-Guizot-Duchâtel aan het bewind, en den 30sten October waagde Lodewijk Napoleon te Straatsburg eene poging, om zich door de soldaten tot keizer te doen uitroepen. Den 27sten December geschiedde de aanslag van Meunier, en na stormachtige Kamerdebatten volgde den 15den April 1837 het ministérie Molé-Montalivet-Salvandy, dat den 9den Maart 1839 ten gevolge der aftreding van Molé wegens ongunstige verkiezingen vervangen werd door een voorloopig ministérie. Den12den Mei hadden weder republikeinsche bewegingen plaats, waarna het ministérie SoultDuchâtel-Teste optrad. Den1sten Maart 1840 vormde Thiers een ministérie uit het linker centrum.

Toen voorts Frankrijk uitgesloten werd van het Londensche verdrag tusschen Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruissen over het Egyptische vraagstuk, werd er de oorlogslust aangewakkerd en tot de versterking van Parijs besloten. Den 6den Augustus 1840 landde Lodewijk Napoleon te Boulogne en zag zijne onderneming nogmaals mislukken. Voorts had den 15den October al weder een aanslag — die van Darmes — op het leven des Konings plaats. Deze wilde intusschen niets weten van oorlogsplannen, zoodat het ministérie de portefeuilles nederlegde. Toen traden Soult en Guizot weder aan het hoofd der zaken als vertegenwoordigers van de politiek des vredes. Inmiddels begonnen de Republikeinen, Socialisten en Communisten meer en meer te woelen, terwijl de luister van het koninklijk gezag allengs begon te tanen. In 1844 werd in de Kamers hevig geredetwist over de onderwijsvraag, en in April en Julij 1846 hadden nogmaals aanslagen — die van Lecomte en Henri — op het leven des Konings plaats.

Terwijl de omkooperij tegelijk met de geldcrisis hand over hand toenam, werden er schandelijke processen gevoerd, zooals die van Teste en Cubières, alsmede van den hertog de Praslin. Algemeen werd de eisch van hervorming van het kiesstelsel, zoodat er hervormingsbanketten werden gehouden. Het verbod van zoodanig banket te Parijs had den 24sten Februarij de revolutie ten gevolge. Na de gewone barricadengevechten deed de Koning afstand van den troon ter gunste van den graaf van Parijs. Er ontstond een Voorloopig Bewind, zamengesteld uit Dupont de l’Eure, Lamartine, Arago, Marie, Garnier-Pagès, Ledru-Rollin en Crémieux, onder latere bijvoeging van Marrast en van de Socialisten Louis Blanc, Flocon en Albert. Nu nam de Koning de vlugt, en zoo verscheen:

Het tijdperk der tweede Republiek (1848— 1852). Genoemd Bewind hield zich met moeite staande door de welsprekendheid en den tieren moed van Lamartine te midden der Socialistische en Terroristische partijen. In Maart werden er ateliers nationaux of nationale werkplaatsen opgerigt, om den eisch van regt op den arbeid eenigzins te bevredigen. Den 14den Mei werd de Nationale Vergadering geopend en de Republiek uitgeroepen. Het Voorloopig Bewind trad af, en de Nationale Vergadering koos eene uitvoerende Commissie, bestaande uit Arago, Garnier-Pagès, Marie, Lamartine en Ledru-Rollin, terwijl een nieuw ministérie Recurt, Bastide, Crémieux, Carnot, Flocon, Cavaignac enz. onder zijne leden telde. Den 15den Mei werd een aanslag der Socialisten, om de Nationale Vergadering te verdrijven en nogmaals een Voorloopig Bewind in te stellen, verijdeld. De opheffing der nationale werkplaatsen gaf echter het sein tot het Junijoproer, hetwelk door Cavaignac als dictator met bloedig geweld bedwongen werd. Den 28sten Junij verleende voorts de Nationale Vergadering aan Cavaignac de uitvoerende magt, waarna Lastide, Senard, Bethmont, Leblanc, Gaudchaux, Recurt, Tourret, Lamoricière en Bedeau het ministérie vormden.

De uitspattingen der pers en der clubs werden beteugeld, en eene grondwet, den 4den November vastgesteld , verordende eene Nationale Vergadering van 750 leden, terwijl zij de uitvoerende magt opdroeg aan een voorzitter, voor den tijd van 4 jaar door het algemeen stemregt gekozen. Den 104en December werd Lodewijk Napoleon met 5 1/2 millioen stemmen tot voorzitter benoemd. Hij vormde een nieuw ministérie, bestaande uit Odilon-Barrot, Drouyn de l’Huys, Falloux, Léon Faucher enz., verleende in Mei 1849 zijne tusschenkomst aan den Paus en opende in die maand de Nationale Vergadering. Een opstand der uiterste linkerzijde, den 13den Julij beproefd, eindigde met de vlugt of de gevangenneming der hoofdaanleggers. De voorzitter der Republiek begon meer en meer de houding aan te nemen van een monarch. Hij benoemde den 31sten October een nieuw ministérie, bestaande uit Hautpoul, Rayneval, F. Barrot, Routier, Fould enz., waarna hij in 1850 het rijk in 4 groote militaire divisiën verdeelde en in Mei en Junij wetten uitvaardigde ter beperking van de vereenigingen, van de drukpers en van het algemeen stemregt. In den aanvang van 1851 werd een ministérie benoemd in Bonapartistischen geest; toen, wegens een votum van wantrouwen in de Kamer, een overgangsministérie, en den 11den April een bepaald Bonapartistisch kabinet, waarin Léon Faucher, Laroche, Fould, Buffet, Magne, Rou her enz. zitting namen. Er ontstonden bewegingen ten behoeve eener herziening der kieswet, en nadat den 27sten October een nieuw Bonapartistisch Bewind met Corbin, Turgot, Thorigny, Casablanca, St.

Arnaud enz. was opgetreden, had den 2den December de beruchte, gewelddadige staatsstreek plaats. Hierbij werd de Nationale Vergadering ontbonden, de kieswet opgeheven en de voorloopige schets eener door den President geoctroyeerde grondwet, na eene bloedige demping van den tegenstand op den 3den December, in geheel Frankrijk, onder vertooning van het opgekleurde schrikbeeld der „Roode Republiek", van 14 tot 21 December met 7½ millioen stemmen aangenomen. Nu volgden veroordeelingen tot ballingschap en deportatie. De nieuwe grondwet, die tegenover den President en een slechts aan hem verantwoordelijk ministerie een voor levenslang benoemden, rijk bezoldigden Senaat en een in zijne bevoegdheid uiterst beperkt Wetgevend Ligchaam verordende, werd den 14den Januari) 1852 ingevoerd. Den 22sten Januarij werden de persoonlijke eigendommen van het geslacht van Orléans op last der regering tot verkoop bestemd , — den 18den Februarij gestrenge drukperswetten uitgevaardigd, en den 17den November de President door een senatusconsult als Napoleon III tot erfelijk Keizer verheven, — ’t geen den 21sten en 22sten November door eene algemeene volksstemming met ruim 8 millioen tegen weinig meer den 1/4 millioen stemmen bekrachtigd werd. Den 2den December hield de nieuwe Keizer zijn plegtigen intogt in de Tuilerieën. Zoo ontstond:

Het tweede Keizerrijk (1852—1870). De Keizer bevorderde met overleg de stoffelijke belangen des volks, en begunstigde vooral de geestelijkheid bij de hervorming van het onderwijs. Intusschen duurden de oude oneenigheden met Rusland voort over de gewijde plaatsen te Jerusalem, zoodat in Maart 1854 Frankrijk en Engeland zich met Turkije tegen Rusland verbonden, waarna de legers van genoemde Mogendheden, vereenigd met die van Sardinië, in September 1855 in de Krim aan de Alma de overwinning behaalden, den Malakof bestormden en Sebastopol veroverden. Van half Mei tot half November werd eene wereldtentoonstelling gehouden te Parijs, terwijl den 28sten April Pianori en den 8sten September Bellemare een aanslag ondernam op het leven van den Keizer. Nadat den 30sten Maart 1856 de vrede gesloten was met Rusland, werd Frankrijk de hoofdmogendheid en Parijs het politiek middelpunt van Europa. Den 12den Augustus 1857 werd de St. Helena-medaille ingesteld tot opwekking der herinnering aan Napoleon. Toen voorts door Engeland en Frankrijk eene expeditie was uitgezonden naar China, had den 14den Januarij 1858 de aanslag plaats van Orsini en zijne medestanders op het leven des Keizers.

Frankrijk werd in 5 groote militaire districten verdeeld (Parijs, Nancy, Lyou, Toulouse en Tours), en den 5den Februari] een geheime raad ingesteld, die eventueel als regentschap zou optreden. Den lsten Januarij 1859 gaf de audiëntie van het corps diplomatique bij Napoleon aanleiding tot een conflict, hetwelk uitliep op den oorlog der Franschen tegen de Oostenrijkers ter bevrijding van Italië. Nadat eerstgenoemden voorspoedig gestreden hadden bij Montebello, Palestro, Turbigo, Magenta en Melegnano, werd den 11den Julij de Vrede van Villafranca gesloten, waarna Napoleon het veroverde Lombardije afstond aan den Koning van Sardinië. In Januarij 1860 werd een vrijgevig handelsverdrag met Engeland gesloten, in Maart Savoye met Nizza aan Frankrijk toegevoegd, en in Augustus eene expeditie naar Syrië ondernomen ter bescherming der Christenen aldaar. Een keizerlijk decreet van 24 November schonk aan het Wetgevend Ligchaam het regt, om de jaarlijksche troonrede met een adres te beantwoorden en bij de beraadslagingen daarover inlichtingen te vragen aan de ministers, amendementen voor te stellen, enz. Den 31sten October 1861 werd te Londen een tractaat gesloten tusschen Frankrijk, Engeland en Spanje tot het bezetten der kust van Mexico. Een Senatusconsult van 31 December daaraanvolgenden vermeerderde de bevoegdheid der volksvertegenwoordigers. Den 29sten Maart 1862 werd eene overeenkomst tot stand gebragt met het Duitsche Tolverbond.

De verkiezingen van Mei 1863 versterkten de partij der oppositie, en in Julij van dat jaar werd in Mexico onder hertog Maximiliaan van Oostenrijk een van Frankrijk afhankelijke Staat gesticht. In de Sleeswijk-Holsteinsche aangelegenheden zocht Napoleon eerst met Engeland en Rusland als middelaar op te treden tusschen Denemarken en Duitschland, maar weerstond het aanzoek van Engeland, om eene handelende gedragslijn te volgen, terwijl hij zich eene volkomene vrijheid voorbehield (28 Januarij 1864). Er werd door Frankrijk eene overeenkomst gesloten met Italië, volgens welke laatstgenoemd rijk voorloopig afzag van het bezit van Rome. De troonrede van 22 Januarij 1866 gaf voorts geenerlei gunstig antwoord op het verlangen naar uitbreiding der staatkundige vrijheden des volks, en den 11den Julij waren in den ministerraad de gevoelens verdeeld vóór en tegen Oostenrijk. De Keizer nam het besluit, om laatstgenoemde mogendheid niet te ondersteunen en veroorloofde aan Pruissen, dat Oostenrijk uit Duitschland zou worden uitgesloten, terwijl daarentegen Pruissen afzag van zijn plan, om de ten zuiden van de Main gelegene Duitsche landen onder zijne leiding in den Duitschen Bond op te nemen. Vruchteloos deed Drouyn de l'Huys den 7den Augustus eischen hooren tot compensatie, en werd den 2den September door Moustier vervangen. Den 12den December verwijderden zich de Fransche troepen uit Rome, en den 19den Januarij 1867 verkondigde de Keizer in een schrijven aan Routier de afschaffing van het adres van antwoord en de invoering van een zeer beperkt regt van interpellatie, alsmede eene latere toezending van wetten op de drukpers en op het regt van vereeniging als „couronnement de rédifice (krooning van het gebouw)”. In Februarij 1867 verlieten de Fransche troepen Mexico, en de verontwaardiging daarover was algemeen.

Den 7den Maart werden wetsontwerpen aangeboden ter organisatie van het leger en van de Nationale garde, en den 21sten Maart onderhandelingen aangeknoopt met den Koning der Nederlanden over den afstand van Luxemburg. Van 1 April tot 1 Junij had al weder eene wereldtentoonstelling plaats, terwijl den 30sten October Rome nogmaals door Fransche troepen werd bezet. De leger-, drukpers- en vereenigingswetten werden aangenomen. Intusschen hadden er volksbewegingen plaats den 2den November op het kerkhof van Montmartre bij het graf van Baudin, — voorts in Mei 1869 te Parijs, Rijssel, Amions, Toulouse, Marseille en St. Etienne ter gelegenheid van de verkiezingen, waardoor de oppositie veel sterker werd. In Junij was het onrustig te Parijs, en den 5den Junij werd een verdrag met België gesloten over spoorweg-aangelegenheden. Den llden Julij ontving de Vertegenwoordiging eene keizerlijke boodschap over nieuwe hervormingen, waarover den 2den Augustus een Senatusconsult uitgevaardigd werd. Zij bestonden daarin, dat aan het Wetgevend Ligchaam het regt van initiatief en van amendement werd geschonken, — dat de ministers afhankelijk van den Keizer en verantwoordelijk waren, — dat de zittingen van den Senaat in het openbaar zouden gehouden worden, — en dat aan den Senaat het regt van amendement en van eene onvoorwaardelijke verwerping der wetsontwerpen werd toegekend.

Den 15den Augustus, het eeuwfeest der geboorte van Napoleon I, werd eene algemeene amnestie voor alle staatkundige overtredingen toegestaan, en den 21sten Augustus trad Leboeuf op als minister van Oorlog. Het Senatusconsult, bevattende de staatkundige hervormingen, werd in den Senaat met 134 tegen 3 stemmen aangenomen, doch er ontstonden heftige bewegingen wegens de voortdurende verdaging van het Wetgevend Ligchaam. Dit laatste werd den 29ssten November geopend, en den 2den Januarij 1870 ontstond er een nieuw ministerie, waarvan Ollivier, Daru, Duffel, en Segris de voornaamste leden waren. In Februarij hadden er stormachtige tooneelen plaats in het Wetgevend Ligchaam tusschen het ministérie en de oppositie, — voorts oproerigheden te Parijs, terwijl den 28sten Maart een ontwerp-Senatusconsult werd overgelegd van dezen inhoud: „De Senaat deelt de Wetgevende magt met den Keizer en met het Wetgevend Ligchaam; daarentegen neemt de constituérende bevoegdheid van den Senaat een einde, zoodat de grondwet alleen door het volk op voordragt van den Keizer kan gewijzigd worden.” Op den 14den April namen Buffet en Daru hun ontslag, en nadat vermeld Senatusconsult den 20sten April door den Senaat aangenomen was, werd 3 dagen later de vraag, of de liberale grondwetsveranderingen en het laatste Senatusconsult goedgekeurd werden, aan eene volksstemming onderworpen en met ruim 7 1/3 tegen ruim 11/2 millioen stemmen bevestigend beantwoord. Weder was Parijs onrustig, en de hertog de Gramont aanvaardde de portefeuille van Buitenlandsche Zaken, waarna den 18den Mei de uitslag der volksstemming (plebiscite) werd bekend gemaakt. Den 21sten Mei hield de Keizer eene toespraak aan het Wetgevend Ligchaam over de vestiging van het Keizerrijk op een liberalen grondslag, terwijl zich daarna eene gematigde linkerzijde vormde van 16 afgevaardigden.

Den 30 Junij verklaarde Ollivier, dat de vrede van Europa nooit vaster was geweest dan op dat oogenblik. Op den 5den Julij echter werden in het Wetgevend Ligchaam inlichtingen gevraagd nopens de verheffing van prins Leopold van Hohenzollern op den Spaanschen troon, waarop daags daarna de Gramont verklaarde, dat Frankrijk dit niet zou dulden, — eene verklaring, die den 15den Julij achtervolgd werd door zijne mededeeling omtrent de onderhandelingen van Benedetti met den Koning van Pruissen te Ems. Het Wetgevend Ligchaam stond eenstemmig 440 millioen francs voor het leger toe en 60 millioen francs voor de vloot, waarna de regéring de bemiddeling van Groot-Brittanje van de hand wees en den 20sten Julij de oorlogsverklaring afzond naar Berlijn. Voorts werd de maarschalk Leboeuf tot chef van den generalen staf van het Rijnleger, en den 23 Julij Keizerin Eugénie tot regentes benoemd, waarna de Keizer den 23sten Julij naar de armée vertrok. Nu nam de geweldige worsteling een aan vang, die wij in het artikel Duitschland (zie aldaar) kortelijk beschreven hebben. Tot aanvulling diene het volgende:

Den 7den Augustus werd Parijs in staat van beleg verklaard; den 8sten legde Leboeuf zijne betrekking neder, en werd Bazaine opperbevelhebber van het leger, en den 9den werden de zittingen van het Wetgevend Ligchaam geopend. Jules Favre stelde er voor, dat de Kamer het rijksbewind zou aanvaarden, — en Kératry om Napoleon III van zijne waardigheid te ontzetten, waarna het ministérie vervangen werd door een nieuw, in hetwelk de graaf van Palikao, Chevreau, Magne, Duvernois, Jerôme David, Grandperret, Latour d'Auvergne en Brame opgenomen werden. Den llden Augustus werd de wet tot organisatie der Nationale Garde eenstemmig aangenomen, en terwijl Jules Favre en Gambetta den 13den Augustus in het Wetgevend Ligchaam verklaarden, dat het Keizerrijk niet meer bestond, benoemde de Keizerin den 17den Augustus generaal Trochu tot bevelhebber der troepen te Parijs. Daags daarna verklaarde Trochu, dat de Natie zelve over hare aangelegenheden wenschte te beschikken, waarna den 28sten Augustus alle Duitschers uit geheel Frankrijk werden verbannen. Toen voorts de Keizer zich den 2den September te Sédan had overgegeven, werd hij met zijn geslacht op voorstel van Jules Favre den 4den September vervallen verklaard van den troon. Volkshoopen drongen door in de zaal van het Wetgevend Ligchaam en eischten de republiek, die door afgevaardigden der linker zijde op het stadhuis werd uitgeroepen. Zoo verscheen:

Het tijdperk der derde Republiek (1870 tot onze dagen). Er werd aanstonds eene regéring der Nationale Verdediging ingesteld, bestaande uit Jules Favre, Jules Simon, Pelletan, Crémieux, Picard, Ferry, Glais-Bizoin, Rochefort, E. Arago en Garnier-Pagès. Zij vereenigde Gambetta, Crémieux, Leflô, Jules Simon, Dorian, Fourichon, Magnin en Picard tot een ministérie en benoemde Trochu tot gouverneur van Parijs en voorzitter der regéring, waarna de Keizerin de wijk nam. Den 5den September werd het Wetgevend Ligchaam ontbonden en de Senaat afgeschaft, terwijl zich 2 dagen later de leden der Internationale Werkliedenvereeniging, onder den naam van „Commune”, meester maakten van het gezag. Den llden September ging Crémieux naar Tours, om het bestuur te leiden van die departementen, welk niet bezet waren door den vijand. Den 18den September trokken de Duitschers in Versailles en daags daarna werd Parijs berend, terwijl er op dien en den volgenden dag zamensprekingen plaats hadden van Jules Favre met von Bismarck op het kasteel Ferrières. Daarna werden door de regéring te Tours allen opgeroepen, om den oorlog tot het uiterste te voeren. Den 29sten September keerde de vloot terug in Cherbourg, en den 8sten October hielden de Radicalen onder de leiding van Flourens, Blanqui, LedruRollin en Félix Pyat het stadhuis bezet, om de keuze van een gemeenteraad door te drijven.

De Nationale garde schaarde zich aan de zijde der regéring, en Gambetta belastte zich den 9den October te Tours met de portefeuille van Oorlog, waarna hij als een dictator handelde. Den 30sten October verscheen Thiers in het Duitsche hoofdkwartier, om over een wapenstilstand te onderhandelen, doch den 31sten kwamen gewapende drommen uit de voorstad Belleville, namen onder aanvoering van Flourens, Pyat, Blanqui enz. de leden der regéring gevangen, en deden pogingen om een Comité de Salut Public te benoemen en de Commune uit te roepen. Trochu, Arago en Ferry werden echter denzelfden avond door de Nationale garde, en de overige regéringsleden den volgenden morgen bevrijd. Den 3den November had er eene stemming plaats over het behoud der bestaande regéring, waarop door ruim 1/2 millioen toestemmend, en door ruim 60000 ontkennend geantwoord werd. Toen den 5den November de onderhandelingen over den wapenstilstand afgebroken waren, besloot de regéring den 9den December, zich naar Tours te begeven. Den 29sten December werd de MontAvron door de Franschen verlaten, waarna de vijand de forten te Noisy, Rosny en Nogent begon te beschieten.

In Januarij 1871 verordende Gambetta, dat het volk in massa naar de wapens zou grijpen, om den oorlog tot het uiterste door te zetten. Niettemin werd den 28sten Januarij, na vele vruchtelooze pogingen van ontzet, de capitulatie van Parijs gesloten, benevens een wapenstilstand van 3 weken, waarvan Belfort uitgezonderd bleef. Den 29sten en 30*4™ Januarij werden de forten van Parijs door de Duitsche troepen bezet, terwijl de stad 200 millioen franc voor oorlogskosten betalen moest. Den 31sten Januarij bepaalde Gambetta de verkiezingen voor de Nationale Vergadering, maar stelde de familieleden der regéren de staatslieden, de ministers, senatoren , staatsraden en prefecten niet benoembaar, maakte het bestuur te Parijs verdacht, als zou het heulen met Pruissen, en weigerde zich daaraan te onderwerpen. Dat bestuur echter verklaarde de door Gambetta uitgeschreven verkiezingen nietig, waarop laatstgemelde zijn ontslag nam, terwijl F. Arago tot minister van Binnenlandsche Zaken en tot tijdelijk minister van Oorlog benoemd werd.

Den 12den Februarij had de opening plaats der Nationale Vergadering te Bordeaux. Thiers werd geroepen tot hoofd der uitvoerende magt, eene commissie van 15 leden gekozen tot het voeren van onderhandelingen over den vrede, en een ministérie benoemd, waartoe Dufaure, Jules Favre, Picard, Jules Simon, Leflô,enz. behoorden. Den 26sten Februarij werden de vredespréliminaires geteekend, en men verlengde den wapenstilstand van 1 tot 6 Maart. Die préliminaires werden door de Nationale Vergadering aangenomen. Nu ontstond er eene hevige beweging der Socialisten te Parijs. De Roode Republikeinen hielden den Montmartre bezet; Aurettes de Paladine werd aangesteld tot opperbevelhebber der troepen te Parijs, en den 10den Maart nam de Nationale Vergadering het besluit, om haren zetel naar Versailles te verleggen, waarna zich ook het ministérie derwaarts begaf. Den 16den Maart ontstonden woelingen bij de Nationale garde, die zelve hare bevelhebbers wilde kiezen. Twee dagen later werd de Montmartre bezet door regeringstroepen, die zich echter verbroederden mot de oproerige Nationale garde, waarna de generaals Thomas en Lecomte werden gefusilleerd en de roode vlag van het stadhuis en van de barricaden werd uitgestoken.

Generaal Vinoy trok met 10000 man trouwgebleven soldaten over de Seine terug. De centrale commissie der opstandelingen beschuldigde de regéring van anti-republikeinsche gezindheden en benoemde generaal Cremer tot opperbevelhebber. Inmiddels trokken de regeringstroepen te Versailles bijeen, en Parijs, dat geheel in handen was der Communalisten, werd in staat van beleg verklaard. Den 25sten Maart had er verkiezing plaats van een gemeenteraad, en Blanqui, Felix Pyat, Victor Mugo, Assy, Delesduze enz. werden tot leden benoemd, terwijl daarnevens de Centrale Commissie haar gezag in handen hield. In het begin van April vielen bloedige gevechten voor tusschen de regéringstroepen en de Communalisten. Het Schrikbewind begon te Parijs te heerschen: de aartsbisschop en vele geestelijken werden in hechtenis genomen, de huizen der aanzienlijken geplunderd en de bezittingen van kerken en vereenigingen nationaal eigendom verklaard. Gelukkig bleef de Mont-Valerien in het bezit der regéring. Alle aanzoeken van deze zijde tot eene minnelijke schikking bleven echter vruchteloos.

Den 19den April werd door den gemeenteraad van Parijs een programma afgekondigd, volgens hetwelk Frankrijk uit zelfstandige gemeenten (communes) zou bestaan, wier afgevaardigden zich tot handhaving van de eenheid des Lands tot een centraal ligchaam zouden vereenigen. Zóó zou een nieuw en zegenrijk tijdperk aanbreken. Parijs behield zich het regt voor, om den eigendom onder bepaalde omstandigheden in gemeengoed te veranderen, terwijl voor het betalen van schulden een uitstel van 3 jaar werd verleend. Voorts verbood men de verschijning van zulke dagbladen, die de beginselen der Socialisten bestreden. Aan de andere zijde gaf de Nationale Vergadering aan het hoofd der uitvoerende magt de bevoegdheid, om het Departement in staat van beleg te verklaren.

In Parijs werd een vreemden-legioen gevormd, en den. 9den Mei het fort Issy door de regéringstroepen veroverd. Er werd door de meer en meer verwilderde Commune-mannen een Comité de Saint Public ingesteld, waarna men de Vendôme-zuil deed vallen en de Chapelle expiatoire vernielde. Eindelijk echter moest de uitgeputte stad zich aan de regéringstroepen overgeven, nadat onderscheidene prachtige gebouwen door de opstandelingen geheel of gedeeltelijk waren verwoest (28 Mei 1871). Bij die vernielingswoede speelde vooral de geheel verdierlijkte petroleuses eene hoofdrol.

De aanvullingsverkiezingen van 2 Julij voor de Nationale Vergadering versterkten de republikeinsche partij tegenover de vroegere legitimistisch-Orléanistische meerderheid. Den 5den Julij verscheen het manifest van den graaf van Chambord, waarin hij verklaarde, geen afstand te willen doen van de witte vaan van Hendrik IV, zoodat hij door verwerping der nationale driekleur eene herstelling der Bourbons vooreerst onmogelijk maakte. Terwijl de Republikeinen zich beijverden, om de Monarchalen zooveel mogelijk te dwarsboomen, kwamen Orléanistisch-gezinde mannen in het Kabinet. Den 3den Augustus werd de Rémusat tot minister van Buitenlandsche Zaken, vervolgens Casimir Perier tot minister van Binnenlandsche Zaken, en den 31sten Augustus Thiers met 491 tegen 83 stemmen tot voorzitter der Republiek benoemd en als zoodanig bekleed met de uitvoerende magt, terwijl hij verantwoordelijk bleef aan de Nationale Vergadering. Laatstgemelde werd verdaagd van den 17den September tot den 4denDecember. Den 12den October werden tractaten gesloten tusschen den Franschen minister Pouyer-Quertier en den rijkskanselier von Bismarck, betrekking hebbende op de militaire bezetting en de betaling der oorlogscontributie, alsmede op de fabriekvoortbrengselen in den Elzas en Lotharingen. Den 17den November werd de Nationale garde afgedankt en ontwapend, — den 3den December de diplomatieke betrekking met Duitschland hersteld, daar zich de markies de Gontaut-Biron als Fransch gezant naar Berlijn en de graaf von, Arnim als Duitsch gezant naar Parijs begaf. Den 19den December namen de prinsen van Aumale en Joinville plaats in de Nationale Vergadering, terwijl in Januarij 1872 tusschen deze en Thiers verschil van gevoelen ontstond omtrent het leggen van belasting op grondstoffen, waarbij het beschermend stelsel de overhand behield.

Voorts onderscheidde zich de Nationale Vergadering steeds door stormachtige debatten over eene wet tegen de Internationale, over de herstelling van het wereldlijk gezag van den Paus, en over de legerwet. Den 11den Junij werd algemeene dienstpligt aangenomen, benevens een 5-jarige diensttijd. Intusschen bleef men met dezelfde Nationale Vergadering voortsukkelen, zonder nog tot een definitieve regeringsvorm te komen. Thiers betoonde zich een voorstander der conservatieve republiek, maar de voorstanders der Bourbons, de Orléanisten en de Bonapartisten, alsmede de roode republikeinen koesterden geheel andere bedoelingen. Zij spanden in 1873 zamen om door een votum van wantrouwen Thiers te doen vallen, waarna generaal Mac Mahon in zijne plaats werd benoemd. Nu meenden de verschillende partijen hare kansen schoon te zien, ja, de oude Legitimisten, vereenigd met de geestelijkheid, betwijfelden het geen oogenblik, dat de graaf van Chambord eerlang als Hendrik V te Parijs zou zetelen.

Deze hield zich echter te vast aan zijne oud-monarchale begrippen om populair te worden, en toen het bepalen van den regeringsvorm in de Nationale Vergadering ter sprake kwam, werd besloten, dat men het presidentschap voor den tijd van 7 jaren zou opdragen aan Mac Mahon, ’t geen bij de wet van 20 November 1873 geschiedde. Deze plaatste de Broglie aan het hoofd van het door hem benoemde ministerie. Eindelijk was het jaar 1873 voor Frankrijk merkwaardig wegens het procès-Bazaine, tengevolge waarvan deze voormalige bevelhebber van Metz door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd, welk vonnis tot levenslange gevangenschap is verzacht, en door het feit, dat de regéring nog vóór den gevorderden tijd den laatsten termijn der 5 milliard francs oorlogskosten betaalde (5 September 1873), waardoor Frankrijk binnen de hierop volgende 14dagen bevrijd werd van het Duitsche bezettingsleger. Scheen het ook, dat Frankrijk na de talrijke bedevaarten, in 1873 naar Lourdes en andere plaatsen volbragt, zich geheel en al in de handen der Ultramontanen wilde overleveren, zijne regéring heeft in den aan vang van 1874 getoond, een beteren weg te willen opgaan, door het dagblad „L'Univers”, geredigeerd door Veuillot, voor zijne ongepaste taal gestreng te straffen. Het is opmerkelijk, dat Frankrijk, schoon geweldig uitgeput door een kostbaren oorlog, en door geenerlei mogendheid bedreigd, zich krachtig wapent, zoodat pessimisten van oordeel zijn, dat het eene gewigtige rol denkt te spelen in den strijd, die naar hun oordeel tusschen Kerk en Staat in Europa zal uitbarsten. Zij schijnen echter wel eenigzins te vergeten, dat de regéring er een sterk leger noodig heeft tot handhaving der orde.

Er blijven thans, met betrekking tot Frankrijk, nog eenige belangrijke aangelegenheden ter bespreking over, namelijk de kunst, de letterkunde, de muziek, de taal en het tooneel.

Wij vestigen in de eerste plaats het oog op de Fransche Kunst. Hiertoe behoort:

De bouwkunst. De oudste overblijfselen van deze behooren tot het Gallisch-Romeinsche tijdperk, en van deze is de „Maison carrée”, een Corinthischen tempel te Nîmes, liet best bewaard gebleven. De eerste Christelijke kerken werden er in den trant der Basilica gebouwd en slechts op enkele plaatsen in Auvergne ontmoet men de koepels van den Byzantijnschen stijl. Na het jaar 1000 ontwikkelde zich echter de Basilica-stijl, en uit deze werd de Romaansche stijl geboren, die in de 11de en de eerste helft der 12de eeuw aan Frankrijk eene menigte prachtige kerken schonk, zooals de St. Etienne te Caen, de St. Sernin te Toulouse, de St.

Trophime te Arles, enz. In het noorden des lands ontwikkelde zich voorts het tongewelf tot een kruisgewelf en de spitsboog tot den rondboog, en op deze wijze ontstonden de heerlijke bouwgewrochten, die onder den oneigenlijken naam van Gothische kerken bekend zijn. Zij verhieven zich vooral en het eerst in Îsle de France en zijne omstreken, terwijl ook de voornaamste bouwmeesters dier school, zooals Robert de Luzarches, Pierre de Montereau, Eudes de Montreuil, Raoul de Coucy, Thomas de Cormont, Jean de Chelles, Pierre de Corbie enz. uit die oorden afkomstig zijn. Die stijl mag dus allezins „de Fransche” heeten en werd ook in de 13de eeuw onder dien naam in Duitschland ingevoerd. In dien stijl verheffen zich de hoofdkerken te Parijs, Chartres, Rheims en Amiens.

De bouwkunst der 14de eeuw streefde naar het ideaal van hoogte en slankheid en waagde als het. ware den strijd met ruimte en gewigt, waarin zij somtijds, zooals te Beauvais, de overwinning behaalde. Weldra echter werd de oorspronkelijke eenheid en harmonie van dezen stijl opgeofferd aan tallooze, niet altijd even gepast en smaakvol aangebragte versierselen, alsmede aan zij-kapellen. Men zocht slechts de horizontale lijnen te vermijden, het gebouw zoo hoog mogelijk op te trekken en op eene schitterende wijze te tooijen, zooals men opmerkt in de hoofdkerken van Metz, Tours en Meaux. De bouwkunst begon aan spitsvondigheid te lijden en geen grooter roem te kennen, dan het schijnbaar onmogelijke te overwinnen. In de 15de eeuw werden de bouwvormen als onder loofwerk bedolven, en toen men de vormen der natuur genoeg geplunderd had, poogde men die van het kantwerk na te bootsen, en ten laatste koos men allerlei door elkander gestrengelde figuren, welke aan dien bouwtrant den naam van „style flamboyant” hebben bezorgd. Men vindt hiervan voorbeelden in het portaal van Nôtre Dame te Rouen, het zijportaal der hoofdkerk te Beauvais, enz.

Tegen het einde der 15de eeuw vermengde men de rond- en spitsboogstijlen met de antieke bouworden, en zoo ontstond in de 16de eeuw de „Renaissance-stijl”, die onder Hendrik II zijne hoogste ontwikkeling bereikte. De portalen zijn rondbogen, de zuilengangen spitsbogen, en de vensters vierhoekig of kruisvormig. Men vindt hiervan een voorbeeld in de slotkapèl te Anet. Die stijl verdween echter spoedig door overdrijving der verhoudingen en der sieraden. Weldra wekte de koepel der St. Pieterskerk, in 1590 voltooid, de algemeene bewondering en verkreeg hierdoor een belangrijken invloed op de bouwkunst. Ook in Frankrijk zochten de bouwmeesters dergelijke kunstgewrochten te doen verrijzen, en tot de vruchten van dat streven behoren onder anderen de dom der Sorbonne en die van Val de Grâce. Om de hoogte der spitsboogportalen te bereiken, plaatste men Ionische zuilenrijen op de Dorische, en liet daarop weder Corinthische verrijzen, zooals wij opmerken in het portaal van St.

Gervais te Parijs. Weder werd het aanbrengen van uitwendige sieraden overdreven, zooals men opmerkt in de kerk van St. Louis-St. Paul te Parijs (1627—1641). Deze wijst ons op eene nieuwe bouwkundige school, later die der Jezuïeten genaamd, tot welke Charles Lemercier, François Mansart, Pierre Lemuet enz. behoren. Haar stijl, desgelijks te zien in de kerken Les Petits-Pères en St. Thomas d'Aquin te Parijs, munt niet uit door eenvoudigheid, correctheid en logische consequentie, maar heeft geen gebrek aan pracht en aan blinkende versierselen. Zij ontaardde allengs in een wansmaak, die alle lijnen verwrong en de oorspronkelijke bouworde onder eene overdaad van bijzaken begroef.

Aan de architecten Robert Decotte en Louis Levau komt de eer toe, dat zij zich het eerst tegen dien onzin hebben verzet, al slaagden zij in de kerken van St. Roch en St. Sulpice te Parijs ook niet bijzonder in het vóórtbrengen van iets groots. Veel gelukkiger was Soufflot bij het bouwen van de kerk van Ste Geneviève, die geruimen tijd tot een Pantheon bestemd was en ook dien naam droeg. De bouwmeester huldigde daarin wel is waar den Grieksch-Romeinschen smaak van zijn tijd en maakte zich aan fouten schuldig, maar zijn werk bezit hoogst lofwaardige eigenschappen.

Gedurende de Groote revolutie dacht men wel aan het verwoesten, maar niet aan het stichten van kerken, en toen er na de Julij-omwenteling gebouwd werden, beproefde men daarbij elken stijl, zoodat de Madelaine zich vertoont als een prachtige Corintische tempel, terwijl Nôtre Dame de Lorette (van Lebas) en St. Vincent de Paul (van Hittorff) navolgingen zijn van basilica’s uit den eersten Christelijken tijd. Van de laatst gebouwde kerken is de Trinité (van Ballu) in gemengden en de St. Augustin (van Baltard) in Italiaanschen renaissance-stijl opgetrokken.

Van de openbare gebouwen zijn de oudste van Romeinschen oorsprong, waartoe vooral waterleidingen (bij Nîmes) en amphitheaters (te Arles, Nîmes en Saintes) behooren. Van de paleizen der eerste 2 Koninklijke Huizen is geen spoor overgebleven. Eerst in den tijd van Karel de Groote ontstonden er sloten of burgten, door muren omringd en met torens gekroond. Bouwde men aanvankelijk de verblijven der aanzienlijken in den trant der Romeinsche villa, deze veranderde in de 10de en 11de eeuw meer en meer in eene vesting, welke in de 12deen 13de eeuw 2 gelijkmiddelpuntige ringmuren kreeg met een donjon (gevangentoren) en een nog hoogeren toren, die den naam droeg van belfroi of beffroi (burgtverlies), — zie verder onder Burgt. Van zulke sloten vindt men nog overblijfselen in den donjon te Vincennes, Château-Gaillard, Coucy enz.

In de 14de« en 15de eeuw verloren de ridderburgten hun dreigend voorkomen. Van schier ontoegankelijke rotstoppen daalden zij af in de vruchtbare dalen en namen meer den vorm aan van buitenverblijven, hoewel de buitenmuren nog altijd van tinnen voorzien waren, terwijl men in den bedekten gang (mâchicoulis) daarachter de boogschutters kon plaatsen. Intusschen was de versiering veel rijker geworden. De glazen werden beschilderd, de schoorsteenmantels met beeldhouwwerk getooid , de vloeren met marmer belegd, en ook het huisraad — de schenktafel met haar gereedschap, de stoelen, kasten enz. — onderscheidde zich door grootere weelde. Men vindt daarvan voorbeelden in het hôtel Bourgtheroude te Rouen, in het hôtel Cluny te Parijs en in het kasteel Meillant in Bourbonnais. In de 16de eeuw bragt de loop der omstandigheden — de veranderde wijze van oorlogvoeren en de vooruitgaande beschaving — op nieuw verandering in den bouwtrant. Wèl werden er nog kasteelen opgetrokken in middeleeuwschen stijl, zooals die van Vigny, Chambord en Pierrefonds, maar uit de geheele inrigting bleek, dat zij niet tot verdedigbare sterkten, maar tot aangename en rustige woonverblijven waren bestemd, — en ook toen reeds werden weelderige lusthuizen gebouwd, bij welke zich geen zweem van weerbaarheid vertoonde, zooals die van Azayle-Rideau en Chenonceau in Touraine, alsmede die van Fontaine-Henri en Belleau in Normandië.

Reeds ten tijde van Hendrik IV begon de renaissance-stijl een gedeelte van zijne sierlijkheid te verliezen. Men vervaardigde gebouwen van gebakken of van gehouwen steen. Was men te voren ingenomen met het hooge en ranke (spitsboogstijl), men keerde nu terug tot het zware, korte, plompe. Inzonderheid beijverde men zich, om voor elke verdieping van een gebouw eene afzonderlijke bouworde te kiezen, totdat men er tegen het einde der 16de eeuw toe kwam, om groote gebouwen geheel en al op te trekken in denzelfden stijl, dien men „de kolossale” noemde. Deze viel vervolgens zeer in den smaak van Lodewijk XIV, zoodat hij weldra in Frankrijk algemeen werd.

Hierdoor ontstonden reusachtige , symmetrische gebouwen, zooals het door Mansart gebouwde kasteel van Versailles. Deze bouwstijl bleef de heerschende tot aan het einde der voorgaande eeuw. Omtrent den hedendaagschen bouwstijl in Frankrijk valt weinig te zeggen. Wèl vindt men er uitstekende architecten, zooals Violet-Leduc, Duban, Baltard, Constant-Dufeux, Labrouste, Lefuel, Calliat, Léon Vaudoyer, enz., maar zij houden zich aan geen vast beginsel, daar zij zoowel van de classieke oudheid, als van de middeleeuwen en van den renaissance-tijd hunne ontwerpen ontleenen, welke laatste veelal een mengsel van verschillende tijden aanbieden zonder eenig oorspronkelijk denkbeeld.

Voorts vestigen wij het oog op de beeldhouwkunst. Van de Celtische gewrochten dezer kunst is in Frankrijk nagenoeg niets overgebleven. Slechts uit de llde eeuw is nog een en ander aanwezig. Men onderscheidt uit dien tijd 2 groepen van voorwerpen. De eene bevat voortbrengselen van ruwe handwerkslieden , — de andere navolgingen der Byzantijnsche kunst. In de 12de eeuw vertoonde zich eene nieuwe groep, namelijk van beelden van aanmerkelijke lengte en met ernstige, fraaije gelaatstrekken, doch de 13de eeuw is het gouden tijdperk der middeleeuwsche beeldhouwkunst, zooals blijkt in den doelmatigen stand en in de ongemeene levendigheid der beelden, in hun bevallig en gepast gewaad, en in de vroomheid der gelaats-uitdrukking. In de 15de eeuw werd de beeldhouwkunst een kunstwerk , zooals men ontdekt in de zamengestelde plooijing der kleedij en in de voorstelling der gemoedsaandoeningen; men zocht zooveel mogelijk aan het doode marmer leven te schenken. In deze en de volgende eeuw was zij met de bouwkunst op het naauwst verbonden, zoodat zij zich eigenlijk nog niet op zelfstandigheid kon verheffen.

Eerst bij de opkomst van den renaissance-stijl ontstonden er onafhankelijke scholen van beeldhouwers. Toch had er reeds ééne gebloeid (in de dagen van Karel VIII en Lodewijk XIII aan de oevers der Loire; hiertoe behoorden Michel Calombe en Jean Juste van Tours, van wie nog onderscheidene kunstwerken bestaan, zooals „De Heiligen van Solasmes” in de kloosterkerk aldaar, benevens een groot aantal praalgraven. Van meer belang echter is de school van Parijs; tot deze behoorden Pierre Bontemps, Jean Goujon, Germain Pilon, Jean Cousin en Barthélemy Prieur, van wie zich fraaije stukken in het Louvre en in de kerk van St. Denis bevinden. Voorts heeft men van die school het praalgraf van Frans I, eene rustende Diana, de Drie Gratiën, het mausoléum van Hendrik II, het standbeeld van den connetable Anne de Montmorency enz. Vooral Jean Goujon en Germain Pilon onderscheidden zich door eene bevallige, geestige behandeling van het marmer, maar men kan hen ook van verwijfdheid en gemanierdheid niet vrijspreken.

Bij den aanvang der 17de eeuw verslaafde zich de Fransche beeldhouwkunst aan overdrijving van de kracht en bevalligheid der Florentijnsche school, zoodat zij evenzeer van de eenvoudigheid der antieken als van de natuurlijke waarheid afweek. In die rigting werkten de gebroeders Anguier, Pierre Francheville, Jacques Sarazin, enz. Nieuwen glans echter verkreeg de beeldhouwkunst ten tijde van Lodewijk XIV. De meestberoemde kunstgewrochten uit die dagen zijn het praalgraf van Richelieu in de Sorbonne en de roof van Prosérpina te Versailles (beide van Girardon), — Milo van Croton en het haut-relièf Alexander en Diogenes in het Louvre (van Pierre Pujet, — het praalgraf van Mazarin (van Coysevox), — Apollo en Daphné, Hippómenes en Atalanta, de groepen der „Paardentemmers” bij den aanvang der Champs Elisées (van de gebroeders Coustou) enz., terwijl ook Balthasar en Gaspard Marsy tot de gevierde kunstenaars behoorden. Gemanierdheid en incorrectheid bleven heerschen in de geheele 18de eeuw, die Jean Louis Lemoine, Pierre Legros, Edme Bouchardon, Jean Baptiste Pigalle, Jean Antoine Houdon en Augustin Pajou onder hare kunstenaars telde.

Bij de beeldhouwers van het eerste Keizerrijk vindt men eene naauwgezette, maar koude nabootsing der antieke kunstgewrochten, en die der Restauratie schreden voort in dezelfde rigting. Van de meest-beroemden noemen wij: Ghaudet, Bosio, Roman, Cortot, Lemaire enz. De romantische schilderschool kwam tegen haar in verzet, zoodat sommigen een middenweg zochten te bewandelen. Zóó deden James Pradier en Pierre Jean David van Angers terwijl de Romantische school hare aanhangers vond in Antoine Louis Barye, Auguste Préault, Antonin Moine en Hippolyte Maindron. Intusschen leverde het tijdperk van 1830 tot 1848 vele kunstgewrochten op, die getuigenis gaven van eene ijverige studie der antieken, zooals: „De visschersknaap met de schildpad” van Rade, — „De tarantelladanser”, en „De improvisator” van Buret, — „De genius der vrijheid”, en „Leucothea” van Dumont de jongere enz.

Groote lof is voorts toegekend aan „Penelope” — en „Cornelia” van Cavelier , — „De jonge Bacchus”, en „De vertwijfeling (1861)” van Perraud, —„Het graf' der Gracchussen”, en „De maaijer” van Guillaume, — „De Faun” van Lequesne, — „Virgilius (1871)” van Thomas, — en „De zingende citherspeler (1865)” van Paul Dubois. Tot de vermaardste Fransche beeldhouwers van onzen tijd behoren voorts Clésinger, Carrier-Belleuse en Aimé-Millet. Het ontbreekt der Fransche kunst meer aan vinding, dan aan vaardigheid. Hare beoefenaars leggen zich meer toe op de bestudering en navolging der antieke kunstvormen, dan op die der natuur.

Eindelijk naderen wij tot de afdeeling schilderkunst. Uit het Celtische tijdperk is geene enkele schilderij overgebleven, en uit het Gallisch-Romeinsche enkel eenig mozaïekwerk, terwijl men uit dat der Frankische monarchie slechts miniatuur-teekeningen uit handschriften bezit. Van de middeleeuwsche kunst is in het algemeen weinig te vinden, hoewel men onderstellen mag, dat de kerken in dat tijdperk met fresco's waren versierd. Men heeft er nog in de kerk van St. Savin in Poitou uit de llde en 12de eeuw. De hoofdkerken te Bourges en Le Mans zijn nog voorzien van fraaije beschilderde ramen uit de 13de eeuw, terwijl het miniatuurschilderen in de 15de eeuw door Jean Fouquet van Tours, hofschilder van Lodewijk XI, den hoogsten trap van volkomenheid bereikte, zooals blijkt in de beroemde gebedenboeken van Anna van Bretagne en Koning René. Paneel- en muurschilderijen bleven echter zeldzaamheden, zelfs in de 10de eeuw, toen Rosso en Primaticcio, door Frans I naar Frankrijk geroepen, er de school van Fontainebleau grondvestten. Na dien tijd werkten de Fransche schilders in Italiaanschen trant.

Martin Freminet, die op last van Hendrik IV de slotkapel te Fontainebleau versierde, was een navolger van Michele Angelo, — Valentin stelde zich Caravaggio, Jacques Blanchard in zijne schilderstukken Titiaan tot voorbeeld. Simon Vouet werkte in de manier van Guido Reni, en terwijl Poussin en Claude Lorrain zich te Rome vormden, bestudeerde Lesueur de stukken van Rafaël. Gedurende de 17de eeuw betraden de Fransche schilders vooral den weg der gebroeders Carracci. In de schilder-académie, door Mazarin gesticht, vonden zij een vereenigingspunt voor de rigting, die zij onder de langdurige regering van Lodewijk XIV volgden. Hierdoor ontstond eene overdrevene centralisatie. Charles Lebrun, tot eersten hofschilder benoemd en met het opzigt op de versiering der koninklijke paleizen belast, verzamelde een hofstoet van allerlei kunstenaars — schilders, beeldhouwers, ciseleurs, stucadoors, slotenmakers, vergulders, enz. — om zich heen en deed alzoo zijn invloed gelden op elk gebied der kunst. Zij moesten gehoorzamen aan den dictator, wiens dorre en drooge manier van schilderen weinig geschikt was, om bevalligheid te schenken aan de talrijke stukken, welke onder zijne leiding te Versailles, in het Louvre en in de kasteelen te Trianon, Meudon, Marly en Vincennes werden geplaatst. Na den dood van Colbert (1683) gaf men dan ook den voorrang aan het lrissche coloriet van Pierre Mignard.

Deze schilderde de kleine vertrekken te Versailles en werd de opvolger van Lebrun. Na hem volgden als schilders van minderen rang: Noël Coypel, Claude Lefévre, Charles Lafosse, Michel Corneille, Nicolas Colombel, Jean Jouvenet, Joseph Parrocel, Raimond Lafage, Bon Boullongne en Jean Baptiste Santerre. De Fransche schilderkunst der 18de eeuw volgde aanvankelijk het oude spoor. François Detroy de Oudere, Nicolas Lorgillière, Joseph Vivien, Antoine Coypel, Hyacinthe Rigaud, Antoine Dieu, Jean Baptiste Vanloo en François Lemoine bleven dat bewandelen, doch anderen begonnen zich in eene andere rigting te bewegen. Antoine Watteau, Nicolas Lancret en Jean Baptiste Pater betooverden aller oogen door de voortbrengselen van hun geestig penseel, terwijl Jean Baptiste Simeon Chardin genrestukken en stillevens vervaardigde, die met de beste Nederlandsche naar den prijs dongen, Voorts traden François Desportes en Jean Baptiste Oudry op als jagt- en dierenschilders, — Siméon Mathurin Lantara en Joseph Vernet als uitstekende landschap- en zeeschilders. Louis Sïlvestre, hofschilder van den Koning van Saksen, Antoine Pesne, hofschilder van den Koning van Pruissen, Jean Marc Nattier, Jean Restout, Pierre Subleyras, Karel Vanloo en zijn beide lieven Louis Michel Vanloo, hofschilder te Madrid, en Charles Amédée Vanloo, hofschilder te Berlijn, werkten echter hoofdzakelijk op het effect en verwrongen de waarheid op eene willekeurige wijze. Charles Nattoire, François Boucher (de beruchte schilder der onkuische Gratiën) en zijne beide schoonzoons Jean Baptiste de Hayes en Baudouin bragten in dezelfde rigting de kunst nog meer tot verval, terwijl iets later Jean Baptiste Greuze in zijne familietafereelen een ongemeenen humor openbaarde, maar ook aan het verwijt van overdrevenheid en onnatuurlijkheid niet kon ontsnappen.

Sedert dien tijd worstelde de schilderkunst I in Frankrijk steeds met de revolutie en reactie. Joseph Marie Vien was de eerste, die haar op een goeden weg zocht te brengen. Zijn beroemde leerling Jacques Louis David bereikte het doel, dat zijn meester zich had voorgesteld, namelijk zuivering van den kunstsmaak door eene ijverige studie der antieken. Hij vormde eene nieuwe school, die zich door zuiverheid van stijl, schoonheid van vorm en juistheid van teekening onderscheidde. Tot haar behooren Jean Antoine Gros, Anne Louis Girodet-Trioson, François Gérard en Pierre Narcisse Guérin. Buiten die school trad Pierre Paul Prud'hon als schilder op en wist aan zijne figuren, in de manier van Correggio, eene ongemeene bevalligheid te geven. Hoewel David tijdens het eerste Keizerrijk eene groote omwenteling in de schilderkunst te weeg bragt, was zij niet van duur. Zijne leerlingen hielden zich wel aan zijne beginselen, maar werkten niet in zijn geest, zoodat zij theatrale voorstellingen leverden van antieke groepen en gebeurtenissen.

Trouwens er ontstond weldra eene andere rigting, die boven de studie der antieken de waarneming van het werkelijk leven stelde. Volgens deze bewoog zich reeds Théodore Géricault in 1819 met zijne „Schipbreuk der Meduse”. Hare aanhangers verkregen na de Julij-omwenteling de overhand, en de classieke school moest wijken voor eene andere, die men met den naam van romantische bestempelde. Zij vereenigde het eclecticismus, dat van elke school het beste kiest, met het realismus, hetwelk zich om geen ideaal bekreunt, maar de verschijnselen der natuur getrouw zoekt na te bootsen. De voornaamste vertegenwoordigers van deze rigting waren : Horace Vernel, Eugéne Delacroix, Ary Scheffer (van Dordrecht) en Paul Delaroche.

Ook deze school bezondigde zich tegen de kunst door de voorstelling van het afzigtelijke en hopelooze, zoodat hare stukken afkeer en walging wekten, en zij op dezelfde klip schipbreuk leed als hare voorgangster, namelijk op overdrijving. Paul Delaroche en Ary Scheffer bekeerden zich bij tijds en hielden zich bij hunne latere kunstgewrochten aan een meer strengen stijl, terwijl ook Eugéne Delacroix zijne phantasie beteugelde. Horace Vernet leverde inzonderheid veldslagen uit den nieuweren tijd, en vooral Ingres, die eene grondige studie der natuur met een zuiveren stijl zocht te verbinden, had een belangrijken invloed op de kunst. Voorts vermelden wij als schilders: Léopold Robert, Decamps, Camille Roqueplan, Eugène Isabey, Tony Johannot, Robert Fleury, Eugène Lami, Diaz, Adolphe Leleux, Marilhat, Cabat, Théodore Rousseau, Jules Dupré en Théodore Gudin.

Men kan niet zeggen, dat er op dit oogenblik eene bepaalde schilderschool bestaat. De historische kunst heeft in 1864 in Hippolyte Flandrin haren grootmeester verloren; zij wordt echter beoefend door Cabanel, Hébert, Gendron, Baudry, Jalabert, Barrias, Bouguereau, enz. Het kleine historische genre wordt vertegenwoordigd door Meissonier, Fauvelet, Chavet, Plassan, Fichet, Vetter, Ruiperez, Brillouin enz. Het romantische genre heeft loffelijke vrienden in Charles Comte en James Tissot, en het antieke in Gérome en in Gustave Boulanger'. Daarnaast verheft zich het nieuwPompejaansche genre, dat in Hamon, voorts in Picou, Isambert, Aubert, Merle enz. voorstanders vindt. Het militaire genre kan zich beroemen op Pils en Protais, terwijl Toulmouche, Trager, Eduard Frère, Bouvin, Marchal, Pezous enz. eene groote vaardigheid bezitten in het schilderen van voorstellingen uit het dagelijksch leven. Tafereelen uit het landleven worden op eene uitstekende wijze geschetst door Breton, alsmede door Fortin, Guillemin, Brion, Schützenberger en Haffner.

Voorts werken Gustave Courbet en François Millet in hetzelfde genre, maar op groote schaal en in zeer realistischen trant. Van de zoogenaamde Oriëntalisten of zoodanigen, die aan het Oosten hunne onderwerpen ontleenen, noemen wij Fromentin. Tot de beste landschapschilders behooren Français en Daubiqny — voorts Harpignies, Blin, Bellel, Lambiet, Hageman, Saltzmann, Hanoteau en Lavieille. Als zeeschilders hebben Cordouan en Aiguier grooten roem verworven, en na den dood van Trogon bekleedt Rosa Bonheur onder de dierenschilders den eersten rang, terwijl ook Palizzi en Hédouin als beoefenaars van dat genre lof verdienen. Jaque en Couturier bepalen zich tot pluimgedierte, en Philippe Rousseau, Blaise Desgoffe, Chabal-Dussurgey en Maisiat leveren bloem- en vruchtenstukken en stillevens. Ieder genre is er alzoo door uitstekende talenten vertegenwoordigd.

In de tweede plaats gaan wij over tot het bespreken der:

Fransche letterkunde. Hier ligt zulk een verbazend ruim veld voor ons geopend, dat wij bij het doorloopen der verschillende tijdperken slechts een vlugtigen blik op hare hoofdvertegenwoordigers kunnen vestigen. Van gemelde tijdperken — het oude en het nieuwe door den aanvang der 16de eeuw gescheiden — is het eerste gesplitst in 3 onderdelen, van welke het eerste eindigt met de 11de eeuw, het tweede de 12de en 13de omvat, en het derde zich tot de 14de en 15de bepaalt.

De oudste Fransche letterkunde is in eene Zuid-Fransche of Provençaalsche en in eene Noord-Fransche verdeeld. Tot de oudste voortbrengselen der eerste behoort een fragment van de levensgeschiedenis van Boëthius, opgesteld tegen het einde der 10de eeuw, — voorts heiligenlegenden, zooals die van den heiligen Amandus en die der heilige Fides (11de eeuw), — en „Epistolae farcitae”, half Latijnsche en half Romaansche kerkgezangen, zooals het „Mysterie van de wijze en dwaze maagden”, — „Het lijkfeest van den heiligen Stéphanus (11de eeuw)", — en zelfs hymnen, zooals de „Cantinella provençale du llme 'Siècle en l’honneur de la Madeleine”. — Ook de eerste vruchten der NoordFransche letterkunde waren navolgingen van stichtelijke Latijnsche werken, zooals het lied der heilige Eulalia uit de 9de eeuw, — omschrijvingen van de boeken der Koningen en der Maccabéën, — eene vertaling der leerredenen van den heiligen Bernard, alsmede geschriften van Gregorius de Groote, — voorts „Epitres Farcies” en heiligenlegenden, zooals „La passion de notre Seigneur’' en „La vie de Saint-Lèger", — en eindelijk een paar oud-Romaansche gedichten, benevens „La vie d’Alexis en vers”, — alle uit de 10de tot 12de eeuw.

Gemelde scheiding in eene Zuid- en NoordFransche letterkunde bleef voortduren in de tweede onderafdeeling van dit tijdperk welke de 12de en 13de eeuw omvat. Over de eene helft zullen wij spreken onder Provence. Hier bepalen wij ons derhalve bij de Noord-Fransche letterkunde van dien tijd. Deze ontwikkelde zich onderden invloed van den ridderlijken geest, die inzonderheid hulde bragt aan de dapperheid, de liefde en de godsdienst. De eerste dichters van dit tijdperk waren de trouvéres, en hunne „Chansons de geste”, hunne „Lais” en „Romans d’aventure” geven daarenboven in hunne frischheid en kracht getuigenis, dat zij gedeeltelijk aan Germaansche volksoverleveringen zijn ontleend. Men ontwaart zulks vooral in de Frankisch-Carolingische heldendichten. Bij deze laatste onderscheidt men 3 tijdperken: dat van het Capetingische Huis, toen gemelde overleveringen tot nationale Fransche gedichten werden verwerkt, — dat van Philippus Augustus;, toen bij de geestdrift voor de Kruistogten de volkssagen met kerkelijke legenden zijn vermengd, zoodat Karel en zijne Paladijns als martelaars en geloofshelden worden voorgesteld, — en een derde, in het midden der 13de eeuw aanbrekende, waarin men de volkssagen met andere sagen, vooral van feeën, dwergen, toovenaars enz., versmolt. Men vindt ze in de „Roman des douze pairs de France (1832— 1850, 12 dln)” en in de „Anciens poëtes de la France (1859 enz. dln 1 enz.)”.

Rijk is vooral de sagenkring van Normandië, door afstammelingen der Noren bevolkt, bij wie de herinnering aan de ruwe heldendaden hunner vaderen nog leefde. Tot dien sagenkring behoort de „Lai d'Havelok le Danois”, — de „Roman des roi Horn et de Rimel", —de „Roman de Robert le Diable", — de „Roman de Rou et des ducs de Normandie”, —de „Histoire de Foulques, Fitz-Warin”,— en de „Roman d'Eustache le Moine, pirate fameux”. Onderscheidene Normandische sagen werden voorts in riddergewaad gestoken, om hulde te brengen aan den geest der eeuw, en men onderstelt, dat op deze wijze ook de „Romans de la table ronde" zijn ontstaan. Op last der koningen van Engeland, vooral van Hendrik II en Hendrik III werden de onderwerpen dier romans door geleerde meesters (clercs, maistres) ook in proza behandeld. Zoo hebben wij: „Roman du St. Graal ou de Joseph d’Arimathie”, — en „Roman de Merlin" van Robert de Borron, — „Roman de Lancelot du Lac” van Robert en Hélle de Borron, die ook den „Roman de la quête du St. Graal" en den „Roman de la mort d'Arthur" bewerkten, — „Roman de Tristan”, begonnen door Luces de Gast en voltooid door Hélie de Borron, welke laatste ook de „Roman de Gyron le courtois” leverde.

Voorts ontstonden er reeds vroeg romans, die aan de geschiedenis der oudheid waren ontleend, zooals de „Roman de la destruction de Troyes”, onderscheidene Alexander romans, waarbij men gebruik maakte van de Alexandrijnsche versmaat, en middeleeuwsche navolgingen van de „Thebaïs”, —„Theseïs”,— „Argonautica", enz. Ook Bijbelsche en Oostersche sagen werden behandeld, zooals „Judas Maceabaeus", — „Barlaam et Josaphat”, — „Heraclius (van Gautier dé Arras, 1218)”, — „Cleomedes” van Adenez le Roi, „Flos et Blancheflos” enz. Eindelijk zijn er romans van meer plaatselijken aard van Meraugis, van Raoul de Houdenc, van Parthenopeus de Blois van Denis Piramus, van den comte de Poitiers, alsmede den „Roman de la Violette" van Gibert de Montreuil, en dan nog dien van den ridder de Coucy, van Guillaume de Dole en het bevallig verhaal van Aucazin en Nicolette.

Bij zulk eene neiging tot het avontuurlijke konden de helden der Kruistogten niet onvermeld blijven. De geschiedenis van den eersten Kruistogt en van Gotfried van Bouillon werd bezongen in den „Roman du chevalier au Cygne ou de Godefroi Bouillon", die door Jehan Renax begonnen en in 1205 door Gandor de Doucy voltooid werd (uitgegeven door Reiffenberg, 1846—1848). Voorts ontstonden er rijmkronieken, zooals de „Chronique rimée” van Philippe Mouskes, een trouvère van Doornik (desgelijks door Reiffenberg uitgegeven, 1836—1837). Ook de prozawerken over geschiedenis ademen in dien tijd nog een ridderlijken geest, zooals „Ystoire de li Normand” — en „Chronique de Robert Viscart” van den monnik Aymé, de „Mémoires” van Villehardouin, en van Jean, sire de Joinville (♰ 1315).

Kleiner van omvang zijn de „Contes", dikwijls naar volksliederen bewerkt en om die reden ook wel den naam van „Lais" dragende. De wereldlijke bevatten doorgaans liefdesavonturen, en de geestelÿke, ook „Contes dévêts” of „Miracles" geheeten, legenden van Heiligen, zooals de „Miracles de la Ste Vierge” van Gautier de Coincy. Daarnevens had men „Fabliaux” of satyrieke voorstellingen van de gebeurtenissen van den dag.

Niet minder rijk dan de epische is de didactische poëzij der bewoners van Noord-Frankrijk. Een „Livre de créatures”, en een „Bestiaire” van Philippe de Thaun zijn afkomstig uit den aanvang der 12de eeuw. Ook heeft men een „Bestiaire dur'’ van Guillaume (clerc de Normandie). Voorts had men zederomans in het „Miserere" en in den „Roman de charité'’, ja, zelfs „Sermons" in verzen, alsmede „Exemples (voorbeelden)”, en „Châtiments” of „Castois (bestraffingen)”, benevens fabelen en de talrijke „Ysopets”. Eindelijk noemen wij den „Dolopathos” van den trouvère Herbert, den „Roman des sept sages de Rome”, de „Disciplina elericalis" van Petrus Alfonsi, en de dierensagen, waaronder de „Roman du Renart" de eerste plaats bekleedt.

Naarmate het Celtisch-Romaansch element de overhand kreeg en Germaansche bespiegeling plaats maakte voor luchthartige geestigheid, traden ook de satyre en de allegorie op den voorgrond; de eerste treft men aan in vele „Dits” en „Complaintes”, en vooral in de „Bibles (tijdspiegels)” van Guiot de Provins en Hugo de Persil, alsmede in de „Disputaisons” en „Batailles”, waartoe „La bataille des sept arts” van Henri d'Andeli behoort. Van de allegorische gedichten noemen wij de „Songes (Droomen)” en de „Voies d’enfer, de paradis (Reizen naar de hel en naar het paradijs)”, terwijl ook de zinnelijke liefde gehuldigd werd in „L’art d'aimer” en in den beroemden „Roman de la Rosé”. Kleine dichtstukken uit de 13de en den aanvang der 14de eeuw heeft men van Baudouin en Jean de Condé (vader en zoon). Eindelijk beijverde men zich om de geheele wetenschap van dien tijd in rijm te brengen, zooals Walther van Metz in zijn „Image du monde”.

Groot was in die dagen het aantal dichters, die liederen vervaardigden, en onder deze heeft men vele vorsten en aanzienlijken des lands. Laborde, die een „Essai sur la musique” heeft uitgegeven, noemt er uit de 12de en 13de eeuw niet minder dan 136. Vele van hunne zangen zijn opgenomen in het werk van Jubinal „Jongleurs et trouvères (1825)” en elders. Ook vertoonden zich toen reeds sporen van dramatische kunst in de „Mystères”, waarin Bijbelsche onderwerpen werden behandeld, in de „Miracles”, de wonderlegenden der Heiligen voorstellende, en in de „Jeuxpartis” enz., die ongewijde gebeurtenissen vertoonden en gewoonlijk eenvoudig „Jeux (spelen)” genoemd werden. Men vindt ze in het werk van Mommerqué en Michel „Théâtre français au moyen âge (1839)”.

De derde afdeeling van dit tijdperk loopt van het einde der 13de eeuw tot aan Frans I. Het Koningschap begon in verzet te komen tegen de suprematie der Kerk en tegen de aanmatiging der vasallen. Het verbond zich hiertoe met de welvarende en ontwikkelde burgers der steden. Ook de dichtkunst, welke steeds de overhand had in de letterkunde, voegde zich naar den loop der omstandigheden. Zij verliet het gebied der legende en der ridderlijke wapenfeiten, om óf den burgers óf den vorsten met hunne hovelingen tot vermaak te strekken. De oude „Chansons de geste” werden door „Sproken” of „Dits” vervangen, zooals die van „Guillaume d’Angleterre”, die van „Robert le Diable”, of later in proza-romans herschapen.

Nu verschenen de „Roman de Perceforest” en de Amadis-romans, — voorts den „Roman de petit Jehan de Saintré” van Antoine de Lasalle (1450). Ook de „Fabliaux” en „Contes” werden in een proza-gewaad gestoken. Toch verneemt men bij sommige geschiedschrijvers nog den nagalm van den riddertijd, bijvoorbeeld bij Cavalier, die de daden van „Bertrand du Guesclin” bezong, alsmede in de kroniek van Jean Froissant. In het vervolg op dit werk, afkomstig van Monstrelet, openbaarde zich een burgerlijke geest, terwijl Philippe de Comines in zijne „Mémoires” doortrokken was van dien van het Hof. Van de hekeldichten, zededichten en allegorieën van dit tijdperk noemen wij: „Le songe du vergier” van Raoul de Presle, — „Les trois pèlerinages” van Guillaume de Guilleville, — „Le doctrinal de la cour” en „Les danses aux aveugles” van Pierre Michault, — „Le champion des dames” van Martin Franc, — „Les danses macabres” en „Les arrêts d’amour” van Martial d'Auvergne, — en de spotzieke gedichten van Coquillart.

De lyrische poëzij vond hare voorstanders in de meesterzangers, die zich met den pedanten naam van „rhétoriciens (rederijkers)” bestempelden en in de vleizieke gelegenheidsdichters van het Hof. De eersten sloofden zich af, om allerlei nieuwe vormen uit te vinden, — de laatsten, zooals Alain, Chartier, Molinet, Christine de Pisan, Meschinot, Guillaume Dubois (genaamd Cretin), om op de kunstigste wijze allerlei aardigheden aan de grooten der aarde te zeggen. Meer oorspronkelijkheid en frischheid echter vindt men bij François Villon, geboren te Parijs in 1431, een overgegeven losbol, die ter naauwernood aan de galg ontsnapte, maar zijn eigen leven en dat der Parijzenaars op eene allergeestigste wijze beschreef, en bij Olivier Basselin (1350—1419), die echt populaire drinkliederen dichtte, welke naar zijne woonplaats — het dal Vire — den naam erlangden van „Vaux-de-Vire”.

Op dramatisch gebied vervaardigde men nog steeds „Mystères”, en er ontstond in 1398 eene „Confrérie de la Passion”, die in 1402 met privilegie van Karel VI zulke stukken opvoerde en in het Drievuldigheidshospitaal bij de poort van St. Denis den eersten schouwburg te Parijs opende. Tevens vereenigden zich eenige jonge lieden van goeden huize te Parijs, om door het vertoonen van comische stukken de dwaasheid hunner tijdgenooten te geeselen. Zij noemden daarom hunne drama’s „Sotties” of „Sotises”, zich zelven „Enfants sans souci (Kinderen zonder zorg)” en hun voorzitter „Prince des sots (Vorst der dwazen)”. Zij vonden in Staat en maatschappij stof in overvloed, en de partijen bedienden zich soms van de „sottes”, om op de openbare meening te werken.

Daartoe behoorden de „Sotties du nouveau monde, — de l'homme obstiné, — de la chasse du cerf des cerfs, — de la mère sotte” enz. De vervaardiger van laatstgenoemde twee was Pierre Gringore. Op het laatst werden die spelen voor de vorsten en regeringen zoo gevaarlijk, dat men ze onder censuur stelde en eindelijk verbood. Toch waren zij zoozeer in overeenstemming met den volksgeest, dat zij onder andere benamingen weder te voorschijn traden. Voorts ontwikkelde zich naast die beide soorten van drama’s eene derde, welke onder den naam van „Farce” het bespottelijke in de maatschappij in het algemeen aan de kaak stelde, zooals onder anderen in „Le maître Pierre Pathelin” op eene uitstekende wijze geschiedde.

Men raadplege voorts het „Recueil de plusieurs farces, sotties et moralités” van Caron (1798—1806, 11 dln).

Het tweede tijdperk van de geschiedenis der Fransche letterkunde strekt zich uit van de regéring van Frans 1 tot op onze dagen. Men splitst het doorgaans in 4 afdeelingen. De eerste loopt tot Lodewijk XIV (1515— 1643), — de tweede omvat het regéringstijdperk van dezen Vorst (1643—1715), — de derde de 18de eeuw tot aan de groote Revolutie (1715—1789) — en de vierde den tijd van de groote Revolutie tot onze dagen. Deze laatste afdeeling bevat wederom het tijdperk der Revolutie, dat van het eerste Keizerrijk, dat der Restauratie, dat van Louis Philippe, en dat, hetwelk sedert de Februarij-revolutie (1848) verliep.

Van Frans I tot Lodewijk XIV. De Fransche letterkunde der middeleeuwen, schoon ruw en ongevormd, was echt nationaal, doch ten tijde van Frans 1 kwam de studie der Grieksche en Latijnsche schrijvers in zwang. Weldra kende men geen hooger doel, dan deze schrijvers slaafs na te volgen, en die geest werd vooral bevorderd door Jacques Lefèvre d'Etaples (Faber Stapulensis ♱ 1537), Scaliger, Casaubonus, Jean Daurat en de beide Etienne’s (Stéphanus). Talrijk waren de schrijvers, die vertalingen — en hierbij voortreffelijke — leverden van de meest-beroemde werken der oudheid. De eerste plaats onder de dichters van dien tijd bekleedt Clement Marot (1495— 1544), de kamerdienaar van Frans 1hij onderscheidde zich vooral door ongedwongenheid en naïviteit. Voorts noemen wij Théodore Beza, Mellin de St.

Gelais, Etienne Dolet van Orléans, in 1546 als ketter verbrand, Victor Brodeau (♰ 1540), en vooral Gilles d'Aurigny (♰ 1553), den vervaardiger van het bevallig gedicht „Le tuteur d’amour”. Van de dichteressen mogen de talentvolle Louise Labé van Lyon, wier elegieën nog bewonderd worden, Pernette de Guillet en vooral de zwaarmoedige Madelaine Desroches en hare dochter Cathérine (beide ♰ 1585) niet onvermeld blijven. Marguerite de Valois, de zuster van Frans I en de echtgenoote van Hendrik III van Navamra, schreef eene verzameling van novellen, „Heptameron” genaamd. Intusschen worden die verhalen meestal toegeschreven aan Nicolas Dénisot, Jacques Peletier en Bonaventure Despériers. Ook andere vorstinnen en vorsten wijdden hunne uren van uitspanning aan de letterkunde.

Onderscheidene begaafde dichters, tot welke Jodeïle (♰ 1573), Pierre de Bonsard, Antoine de Baïf en Joachim Dubellay behoorden, vereenigden zich tot eene dichtschool, het Fransche Zevengesternte (Pleïade) genaamd. Ronsard stond aan haar hoofd, en vooral Guillaume de Salluste, sieur du Bartas (1544—1590) poogde de taal te hervormen. Het valt trouwens niet te loochenen, dat zijn voornaamste gedicht „La semaine ou la création du monde” voortreffelijke gedeelten bevat. Een tegenstander van Ronsard was Théodore Agrippa d'Aulignê, een Protestant, die hem in zijne satyre „Les tragiques” hevig aanviel en tevens als geschiedschrijver lof verwierf. Ver beneden hem stonden de hekeldichters Vanquelin de la Fresnaie en Gilles Durant, terwijl hij overtroffen werd door Mathurin Regnier.

Jean Passerai geeselde met Nicolas Rapin in het hekeldicht „Menippée” de Ligue; Jacques Dulaurens en Thomas de Courval-Sonnet waren de voorloopers van Boileau. Eindelijk deed François de Malherbe een nieuw ochtendrood voor de Fransche poëzie aanbreken. Reeds hadden Jean Bertaut, Philippe Desportes en anderen zich ontslagen van het klassieke juk van Ronsard, maar zij werden overschaduwd door Malherbe, die zich door een voortreffelijken Franschen stijl onderscheidde. Tot zijne tijdgenooten behoorden Maynard (1592—1646) en de markies de Racan (1589—1670), een van de eerste leden der Académie en een voorbeeldig idyllen-dichter. Voorts vermelden wij de puntdichten van Jean Ogier de Gombauld en de bevallige liederen van Pierre de Godolin.

De kennis der oude letterkunde veroorzaakte tevens eene belangrijke omwenteling op het gebied van het drama. Jouveneau schreef noten op Terentius, en velen beijverden zich, om de tooneelstukken der oudheid in de Fransche taal over te brengen. Etienne Jodelle, heer van Limodin, waagde het, als wetgever voor het Fransche tooneel op te treden, en Frankrijks grootste treurspeldichters hebben zijne voorschriften verduidelijkt, maar niet verworpen. Reeds onder Frans I werden pogingen gedaan, om een regelmatig drama ten tooneele te voeren ; zij leden echter schipbreuk, totdat Jodelle onder Hendrik II zijne „Cléopâtre fugitive” schreef in 5 bedrijven en met een koor, en dit stuk voor de hofhouding deed vertoonen (1552). Zijn volgend stuk, tevens zijn beste, was het treurspel „Didon”. Tot zijne navolgers behooren Jean de Laperouse (de vervaardiger van „Médée'j, Charries Toutain, Gabriel Bonin, Robert Garnier (de vervaardiger van 8 treurspelen) en Jacques Grévin. Ook aan het tooneelspel gaf Jodelle in zijn „Eugène ou la rencontre” eene nieuwe gedaante. Hij werd door de Baïf en door vele anderen gevolgd op den ingeslagen weg.

Intusschen waren hunne stukken niet vrij van kwetsing der welvoegelijkheid en der taal. Pierre Larivey, de vervaardiger van „Le laquais”, „La veuve” en „Les écoliers”, gaf de voorkeur aan proza, en de talrijke blijspelen van Pierre Leloyer zijn niet onverdienstelijk. Vele drama's waren voorts het uitvloeisel der verdeeldheden op het gebied van Kerk en Staat. Daarvan noemen wij „Chilperie second'' van Louis Léger en „La Guisiade” van Pierre Matthieu. Ook werden er onderscheidene herdersspelen in dramatischen vorm gedicht. Jean de Rotrou, de vervaardiger van „Venceslas", wordt als de voorlooper van Corneille beschouwd, en men vermeldt, dat Alexandre Hardy omstreeks 800 tooneelspelen geleverd heeft.

De ridderroman werd in Frankrijk weder ingevoerd door Adrien Sévin en Herberay Desessarts, maar hield geen stand, daar de koninginnen Catharina en Maria dei Medici aanleiding gaven tot kennismaking met en navolging van de Italiaansche letterkunde. Ten tijde van Anna van Oostenrijk kwam voorts de beoefening der Spaansche letterkunde eenigen tijd in zwang, en „Diana” van Montemayor maakte zoo grooten opgang, dat Honoré d’Urfé graaf van Châteauneuf in zijne „Astree” eene navolging leverde van dat gedicht. De tallooze herderromans, welke in dien tijd Frankrijk overstroomden, zijn in vergetelheid geraakt. Jean Barclay (1683—1621) was de schrijver van den eersten staatkundigen roman, maar bediende zich voor zijne „Argenis” van de Lantijnsche taal, terwijl omstreeks dien tijd ook de hekelroman (roman satyrique) ontstond. De vader van dezen en tevens een der geestigste schrijvers, die ooit geleefd hebben, was François Rabelais. De geschriften van zijne navolgers zijn vergeten, met uitzondering van de „Aventures du baron de Foeneste” van Théodore Agrippa d'Aubigné. Voorts schreven Jean Louis Guez de Balsac (♰ 1654) en Voiture (♰ 1648) verzamelingen van galante brieven. Eerstgenoemde heeft zich ook in andere geschriften jegens het Fransche proza verdienstelijk gemaakt.

Aanvankelijk klom het aantal geschiedschrijvers, zooals blijkt uit de „Histoire de Louis XII” en „La grande monarchie de France”, beide van Claude de Seyssel (♰ 1520), — uit de „Historiarum sui temporis libri 138” van Jacques Auguste de Thou, — uit de „Algemeene geschiedenis” van reeds vermelden Théodore Agrippa d'Aubigné, — uit de „Commentaires” van Biaise de Monfluc (1503—1577), die vreeselijke tafereelen bevatten, — uit de meer wijsgeerige „Mémoires” van Gaspard de Tavannes, uitgegeven door zijn zoon Jean, — uit de „Geschiedenis van het Fransche Hof van Marguerite de Valois, eerste gemalin van Hendrik IV, waarin zij zich zelve als eene Vestaalsche voorstelt, — uit de „Mémoires” van den edelen Calvinist Lanoue, — uit de beruchte, geestige, maar schaamtelooze „Mémoires” van Pierre de Bourdeille, seigneur de Brantôme (1527—1614), — uit de „Levensgeschiedenis van Hendrik IV” van Sully en van Hardouin de Peréfixe, — eindelijk uit de „Mémoires” van Duplessis-Mornay, Jean Mergey en l’Etoile, en de werken van Théodore Beza, Lancelot Voisin de la Popelinière (♰ 1618), en Henri, hertog de Rohan (1579—1638).

Het didactische proza had reeds een hoogen trap van volkomenheid bereikt. Daarvan getuigen inzonderheid de „Essais” van Michel de Montaigne, terwijl voorts Pierre Charron (♰ 1603), Etienne de Laboétie (♰ 1563), Olivier de Seres, seigneur du Pradel (1539—1619), schrijver van een „Théâtre de l’agriculture”, Charles Etienne (schrijver van „La maison rustique”), Hubert Languet, Jean Bodin en de hervormer Calvijn eene eervolle vermelding verdienen.

Het regeringstijdperk van Lodewijk XIV. Onder het bestuur van Frans 1 was de kennis der classieke letterkunde toegenomen, —in de dagen van Sully was veel goeds tot stand gekomen en voorbereid, — en Richelieu (1585—1642), de alleenheerscher onder Lodewijk XIII, had als voorstander van kunst en wetenschap in 1635 de Fransche Académie, voorts andere wetenschappelijke inrigtingen doen verrijzen, en wat door Mazarin was verzuimd, werd door Colbert ruimschoots vergoed. Laatstgenoemde was degene, die Lodewijk XIV aanspoorde, om al het mogelijke te doen ter bevordering van de Fransche letterkunde. Bij de Académie van Richelieu voegde hij in 1663 de „Académie des inscriptions et des belles lettres”, — in 1664 eene voor schilder- en beeldhouwkunst, en in 1666 die der wetenschappen, en deed voorts in 1667 de sterrewacht, in 1673 den botanischen tuin en het scheikundig laboratorium verrijzen, en zorgde voor de uitgave van het „Journal des Savants”, dat ook nu nog bestaat. De Fransche taal werd de wereldtaal, en het tijdperk van Lodewijk XIV met den naam van „Gouden eeuw der Fransche letterkunde” bestempeld.

Het valt trouwens niet te ontkennen, dat het Fransche proza zich toen reeds door eene ongemeene keurigheid, duidelijkheid en juistheid onderscheidde, zoodat het boven dat van andere nieuwe talen uitblonk. Daarentegen verraadt de Fransche poëzij van dien tijd eene groote armoede. De grondregel der dichters was volgens Boileau: „Etudiez la cour et connaissez la ville”, en de natuur werd vergeten. De dichterlijke geestdrift maakte plaats voor de zucht om de gunst van het Hof te verwerven.

De dramatische dichtkunst, zoo uitnemend geschikt om de feesten van het Hof op te luisteren, kreeg de overhand, en Pierre Corneille werd de grondlegger der Fransche tooneelkunst. Zijn beroemde „Cid”, aan de Spaansche letterkunde ontleend, ademt nog een romantischen geest, doch later leverde hij classieke stukken. Schoon minder verheven van taal, onderscheidde zich Jean Racine door eene grondige kennis van het menschelijk hart, door eene verwonderlijke vereeniging van den hoftoon met natuur en waarheid, en door de welluidendheid zijner verzen. Zijn mededinger Jean Nicolas Pradon is reeds lang vergeten, hoewel hij steun vond bij eene Hofpartij. Van de overige treurspeldichters van dien tijd noemen wij Thomas Corneille (een broeder van Pierre), Antoine de 'la Fosse (♰ 1708), en Prosper Jolyot de Crébillon, bijgenaamd „Le Terrible” of „De Fransche Aeschylus”. Op het gebied van het blijspel schitterde de nog altijd onovertroffen Jean Baptiste Pocquelin, genaamd Molière.

Tot zijne navolgers behoorden Jean François Regnard (1647—1709), Brneys (1640— 1723), Palaprat, Dufresny, Dancourt en Legrand. De „pièces à tiroir” van Boursault (1638—1701), een vijand van Molière, waren geruimen tijd zeer in trek, Lesage en Scarron schreven uitmuntende kluchtspelen voor de kleine theaters. De Fransche opera ontwikkelde zich door de muzijk van Lully en den tekst van Quinault (♰ 1688), en naast dezen moeten ook Duché en Thomas Corneille vermeld worden. De voornaamste opera-schouwburg ontving den naam van „Académie royale de musique”, en er ontstonden onderscheidene kermisschouwburgen (théâtres de la foire). Toen hierin, op voorstel van het Théâtre Français, het spreken verboden werd, kwam er meer verband in de vaudevilles, zoodat men de zamenspraak door pantomime kon vervangen.

De oude neiging der Franschen, om onderhoudende verhalen in verzen te brengen, verloochende zich niet. Jean de Lafontaine schreef zijne beroemde „Fables” in eene taal, die in keurigheid, bevalligheid en naïveteit geene wedergade heeft, en ook zijne onkiesche „Contes” zijn meesterstukken in hunne soort. Tot de merkwaardigste dichters van dien tijd behoort Nicolas Boileau Despréaux. Diep doorgedrongen in de studie der classieke letterkunde, onderscheidt hij zich in zijn „Satires”, „Epitres” en „Art poétique” door eene verwonderlijke correctheid in taal, stijl en versbouw, terwijl hij zich boven zijne tijdgenooten verheft door zijn gezond aesthetisch oordeel. Onder de vele comisch-epische gedichten van dien tijd bekleedt zijn stuk „Le lutrin” den eersten rang.

Het epos zelf beteekende in die dagen niet veel. „La Pucelle d’Orléans” van Jean Chapelain werd met regt door Boileau bespot, — „Alaric ou Rome vaincue” van George de Scudery is vergeten, en alleen in den „Clovis” van Jean Demarets de St. Sorlin (♰ 1676) en den „Saint Louis” van Lemoine (♰ 1672) vindt men sporen van poëzij. Voor lyrische verzen en voor idyllen was dit tijdperk weinig geschikt. Wel ontstond er eene soort van ligtzinnige poëzij, die den stempel droeg van het huis van Ninon de l’Enclos en van het hôtel-Rambouillet, waar hare voorstanders zich vereenigden, doch de voornaamste vertegenwoordiger van de lyrische dichtkunst was Jean Baptiste Rousseau (1670—1741), die zich door zijne verdiensten jegens de taal ver boven zijne mededingers verheft.

Romans verschenen er in menigte. Gautier de Costes de la Calprenède kleedde de Grieksche en Romeinsche helden in riddergewaad en werd nagevolgd door Madelaine de Scudery (1607—1701), en onder de geschiedkundige romans verdienen vooral die van de gravin Lafayette (1633—1699) eene eervolle vermelding. Segrais en anderen leverden Spaansche novellen, en men begon een groot behagen te scheppen in sprookjes. Deze neiging is vooral opgewekt door de „Contes de la mère l’Oye (Vertellingen van moeder de Gans)” van Charles Berrault (♰ 1703). Onderscheidene vrouwen wijdden zich aan dit genre.

Voorts schreef Fénélon in den „Télémaque” den voortreffelijksten roman van dit tijdperk, terwijl hij ook „Sprookjes” leverde ten behoeve van den hertog van Bourgondië. Van Antoine Galland verscheen eene verdienstelijke vertaling van de „Duizend en één nacht”, — Métis de Lacroix vertolkte „Duizend en één dag", en Simon Gueulette gaf „Duizend en één kwartier" in het licht. De eerepalm behoort echter aan de „Contes” van den Engelschen graaf Antony Hamilton (♰ 1720). Als koddig schrijver schitterde Paul Scarron (1598—1660). Alain René Lesage (1668—1747) leverde keurige, schoon niet altijd kiesche zedeschetsen, — en Jean Labruyëre (1639—1696) is beroemd wegens zijne „Caractères".

De kunst om sierlijke brieven te schrijven werd sedert Balzac en Voiture met ijver beoefend, en aan de gezamenlijke werken van schrijvers van naam werd gewoonlijk zijne correspondentie toegevoegd. Op dit gebied schitteren Babet, de geestige beminde van Boursault, wier brieven ongeëvenaarde meesterstukken zijn, en de marquise de Maintenon. De brieven der marquise de Sévigné onderscheiden zich door teederheid en geven eene voorstelling van het leven aan het Hof, terwijl ook die van de gravin de Staël (1693—1750) merkwaardig zijn.

Vooral de welsprekendheid bereikte in die dagen eene ongekende hoogte. Op den kansel schitterden met nog niet verdoofden glans Bossuet, Bourdaloue en Massillon, — voorts de Lamothe Fénélon, Fléchier, Mascaron, de la Rue, Anselme en Saurin (de Bossuet der Protestantsche Kerk).

Geschiedschrijvers, die voor hunne onpartijdigheid bovenal vrijheid behoeven en alzoo onafhankelijk moeten blijven van alle hofgunst, tierden niet voorspoedig in de dagen van Lodewijk XIV, hoewel zij zich onderscheidden door eene stelselmatige orde en door een voortreffelijken stijl. Tot hen behoorden François Fudes de Mézéray (1610—1683), — César Richard de Saint-Méal (1639—1692), die de waarheid wel eens ten offer bragt aan zijne verbeelding, — René Aubert de Vertot (1655— 1735), die meer vertrouwen verdient, — Charles Bottin (1661—1741), die eene goede „Histoire anciènne” en „Histoire romaine" voor de jeugd schreef, — en Claude Fleury (1640—1723), die eene voortreffelijke en uitvoerige kerkgeschiedenis leverde. Jaeques Basnage (1653— 1723), als Calvinist de tegenstander van Bossuet, schreef een paar classieke werken, namelijk „Histoire de réglise depuis Jésus-Christ jusqu’ a présent" en Histoire de la religion des l’eglise depuis Jésus-Christ.” Al die geschiedschrijvers werden echter overschaduwd door Bossuet, die in zijn „Discours sur l'histoire universelle" de grondslagen legde voor eene wijsgeerige behandeling der geschiedenis. Voorts verschenen er voortreffelijke „Mémoires", zooals die van de Gondy, cardinaal de Retz (1613— 1679), waarin de onlusten der Fronde worden voorgesteld, — die van den hertog de la Rochefaucauld (1612—1680), vooral bekend door zijne „Maximes", — die van den hertog de Saint-Simon, — en die van madame de Staël. Over de Fransche wijsbegeerte spreken wij later.

Het tijdperk der 18de eeuw. Met het peil der zedelijkheid daalde ook dat der letterkunde in Frankrijk. Een en ander werd in de hand gewerkt door eene gewaande wijsbegeerte, die niets anders was dan eene slavernij der zinnelijkheid, door eene hieruit voortspruitende vernietiging van het godsdienstig en zedelijk leven, door de diepe verdorvenheid van het Hof en door eene verregaande ijdelheid. Condillac verkondigde de leer van Locke, dat de mensch alle kennis verkrijgen moet door zintuigelijke ervaring, — eene leer, die weldra in materialismus en atheïsmus ontaardde. De Christelijke zedeleer werd verworpen, het onderscheid tusschen deugd en ondeugd opgeheven, en het persoonlijk belang tot grondslag gelegd eener gezonde zedeleer. Met betrekking tot de godsdienst heerschte er eerst twijfeling, maar deze werd weldra vervangen door spotternij , door haat tegen het Christendom, door de bewering, dat alle godsdienst eene uitvinding der priesters was, om ’s menschen vrijen geest te kluisteren, door verloochening van het bestaan van God en van de onsterfelijkheid der ziel.

Op het gebied der staatkunde bewandelde men — schoon met omzigtigheid — een dergelijken weg. De algemeene twijfelzucht openbaarde zich op het gebied der letterkunde het eerst in een aanval op de geschriften der ouden. Hier traden Fontenelle en Lamothe aan de spits en vonden in Anna Dacier geene tegenpartij, die zij behoefden te vreezen. Intusschen verliet de letterkunde het Hof en koos haar verblijf in de salons. De vermaardste van deze waren die van madame Geoffrin, madame de l'Espinasse, madame du Deffand, en van den baron Holbach. De geestige Rivarol kan beschouwd worden als de vertegenwoordiger van het verkeer in de salons.

In deze eeuw schitterde bovenal Voltaire, het toonbeeld der Fransche nationaliteit, — de man, die door de kracht zijner taal een voorbeeldeloozen invloed had op zijne tijdgenooten. Hij was het hoofd van alle Fransche wijsgeeren, liet over alle aangelegenheden zijne meening hooren en achtte zich geroepen, om de woordvoerder van wetenschap en beschaving in geheel Europa te zijn. Zijn karakter was even weifelend en inconsequent als de tijd, waarin hij leefde. Alle deugden en ondeugden voerden bij afwisseling heerschappij in zijn gemoed, doch zijne ijdelheid, door de vleitaal van de grooten der aarde gevoed, en zijn dweepzieke afkeer van het Christendom verlieten hem nooit. Noemt men hem als geestig spotter den „Democriet” van zijne dagen, dan mag men Jean Jacques Rousseau met alle regt den „Heracliet” heeten. Ook Iaatstgemelde had grooten invloed, en het is zeker, dat hij, in weerwil van zijne dwalingen en pardadoxen, op zijne manier het goede gewild heeft en het heil der menschheid zocht te bevorderen. Naast deze twee noemen wij Montesquieu, die door zijn werk „De l’esprit des lois” aan de staats wetenschap ingang verschafte bij het publiek.

Voltaire en Montesquieu gaven door hunne geschiedkundige werken aan de geschiedkunst eene nieuwe vlugt; Condorcet (1743—1793) schreef een uitmuntend „Tableau historique des progrès de l’esprit humain". Tot de beste geschiedschrijvers dezer eeuw behoren voorts Gabriel Bonnet de Mably (1709—1785), Jean Jaques Barthélemy (1716—1795, schrijver van den „Voyage du jeune Anacharsis”), en Guillaume Thomas Raynal (1711—1796), die eene geschiedenis schreef der Europésche volkplantingen in Oost- en West-Indië. Verbazend groot was in dit tijdperk het aantal „Mémoires'1 welke een spiegel vormen der bedorvenheid van die dagen. Tot de meest-begaafde navolgers van Labruyere behoorde Charles Pineau Duelos (1704—1772), terwijl Louis Sebastien Mercier humoristische tafereelen en François Vincent Toussaint bevallige zedeschetsen leverde. De „Lettres sur l’Italië'’ van Dupaty zijn in een geaffecteerden stijl geschreven, en nog ellendiger zijn de veelgelezene „Lettres à Emilie sur la mythologie” van Demoustier. Ook in deze eeuw bekleedden uitgegevene briefwisselingen , zooals de „Correspondance littéraire philosophique et critique” van baron Grimm en Diderot, — de „Correspondance littéraire” van Laharpe, en de „Lettres” van madame d'Epinay eene belangrijke plaats in de letterkunde.

In de kanselwelsprekendheid kon dit tijdperk het voorgaande niet evenaren. Daarentegen bloeide de Académische welsprekendheid, reeds vroeger door Fontenelle met gunstig gevolg gekweekt, in mannen als d'Alembert, Chamfort, Laharpe, Thomas, Maury, Mairan, Bailly en graaf Guibert. Door welsprekendheid in het Parlement onderscheidden zich — ook reeds in het voorgaande tijdperk — Michel de l’Hôpital (1505—1573), Pierre Seguier (1504—1580), Marion baron de Drui (1540—1609), Gilbert du Vair, de Puymissons en Antoine Lemaistre. Toen de minister Fouquet bij Lodewijk XIV in ongenade gevallen was, werd hij met kracht en moed verdedigd door Paul Pélisson (♱ 1693). Tot de regtsgeleerde schrijvers behoorden voorts Denis Talon (♱ 1698), Lamoignon (♱ 1709), Terrasson (♱ 1734) en Cochin (♱ 1747), terwijl ook Olivier Patru (♱ 1693) en de kanselier d'Aguesseau (1667—1751) niet onvermeld mogen blijven.

De roman volgde de ligtzinnige rigting der eeuw. Na de werken van Voltaire, Rousseau en Diderot noemen wij die van Florian (1755— 1794) en van Marmontel (1719—1799). Bovenal onderscheidde zich intusschen Jacques Henri Bernardin de St. Pierre (1737—1814) als schrijver van „Paul et Virginie”, enz. Tevens kwamen vertaalde Engelsche romans in den smaak, en Montesquieu schreef zijne „Lettres Persanes”, die door velen werden nagevolgd, De frivoliteit der eeuw' bereikte haar toppunt in de romans van Crébillon (de jongere), in den „Faublas” van Louvet, en in „Les liaisons dangereuses (1782, 4 tomes)” van Pierre Amboise François Choderlos de Laclos.

Behalve die van Voltaire leverde de 18,de eeuw geene merkwaardige treurspelen, hoewel Jean François Ducis (1733—1816) onderscheidene stukken van Shakspere voor het Fransche tooneel bewerkte of liever verwaterde, — Chamfort eenige treur- en blijspelen schreef, — Dubelloy (1727—1775) de stof zijner treurspelen aan de oudheid ontleende, — Antoine Marie Lemierre in den geest van Crébillon werkzaam was, — en Chateaubrun, zoowel als Laharpe, den stijl der Grieksche treurspeldichters zocht na te volgen. Madame Riccoboni verstond de kunst, om het gevoel te roeren, — en de „Iphigenie en Tauride” van Guymond de Latouche verdient eene vermelding. In dien tijd ontstond het middending tusschen treur- en blijspel, dat den naam van „drama” ontving. Dat genre huldigde Nivelle de Lachaussée in zijn „Le préjugé à la mode”, — Sédaine in „Le philosophe sans le savoir”, — Voltaire in „L’enfant prodigue” en „Nanine”, — en Diderot (in proza) in „Le fils naturel” en „Le pètre de familie”. Blijspelen werden geschreven door Marivaux, Florian, Gresset, Collé enz., maar met onderscheiding vermelden wij de „Metromanie” van Alexis Piron. Verschillende dichters werkten voorts voor de opera, maar geen van hen verwierf zoo grooten roem als de geestige Beamnarchais, de dichter van den „Barbier de Séville” en van „Le mariage de Figaro”.

Tot de navolgers van Voltaire op het gebied der „Contes” behoorde Parny (♱1814), die echter zijn meester in gemeenheid overtrof, alsmede zijn vriend Bertin, — voorts Vïllaret de Grécouri (♱ 1743) en madame Verdier. Levendig zijn voorts de verhalen van Boufflers (♱ 1815), en „Vert-Vert” van Gresset (♱ 1777) wordt nog veel gelezen. Marie Anne du Boccage (♱ 1802) schreef het heldendicht „La Colombiade”, — de Moncrif (♱ 1770) werd de schepper der ballade, en Dorat, Watelet en de cardinaal de Bernis leverden leerdichten. Fraai zijn voorts sommige beschrijvende gedichten-van Saint-Lambert, en vele hekeldichten van Giïlbert (1750—1780),— terwijl Léonard en Berquin idyllen dichtten in den trant van Geszner, en uitmuntende chansons vervaardigd werden door Voltaire, Piron en Panard. Als oden-dichter noemen wij, behalve Gilbert, den markies Lefranc de Pompignan (1709—1784), wiens „Chant sur la mort de J. B. Rousseau” tot de voortreffelijkste gedichten dezer eeuw behoort. Groot was eindelijk het aantal werken, dat uit vreemde talen in het Fransch werd overgebragt.

Het tijdperk der groote Revolutie. Snel volgden de vreeselijke gebeurtennissen der omwenteling elkander op, — te snel, dan dat de hervorming der letterkunde daarmede gelijken tred zou kunnen houden. De mannen der Republiek stonden nog steeds op het gebied der 18de eeuw, en de ontzettende woelingen waren weinig geschikt voor eene rustige beoefening der fraaije letteren. De geheele letterkunde verborg zich schier in het gewaad van dagbladen en vlugschriften, en alleen de Parlementaire welsprekendheid ontwikkelde zich met ongekende kracht. Zelfs de gelegenheidsgedichten hadden in dien tijd in het algemeen weinig te beteekenen. Als ster van de eerste grootte schittert echter onder de lierdichters Joseph Bouget de Lisle (1760—1835), de dichter en componist van de gloeijende „Marseillaise”, en de meestgevierde der omwentelings-dichters was Ponce Denys Ecouchard Lebrun (1729— 1780), door zijne tijdgenooten Lebrun-Pindare genaamd. Vermaard was in dien tijd de „Hymne a l’Etre suprème” door Marie Joseph Ghénier (1764—1811), wiens broeder André, geguillotineerd in 1794, hoogst bevallige „Eclogues” dichtte. Tot dien tijd behoorde! ook Jacques Montanier Delille (1738—1813), die eene vertaling leverde der „Georgica” van Virgilius.

Merkwaardiger zijn de dramatische voortbrengselen van dit tijdperk. Marie Joseph Chénier leverde geschiedkundige drama's met toespelingen op de omstandigheden des tijds; hij beschouwde het tooneel als eene tribune, vanwaar hij spreken kon tot het volk De treurspelen van Fabre d'Eglantine en Laya vielen zeer in den smaak, terwijl ook vele gelegenheidsstukken — vooral afkomstig van den tooneelspeler Dugazon — werden opgevoerd. Ook Collot d'Herbois, de vreeselijke revolutieman, schreef onderscheidene toonee stukken. Het merkwaardigste dramatische voortbrengsel van die dagen was intusschen voorzeker „Le jugement des rois” van Sylvain Maréchal, terwijl Demoustier in „Le conciliateur” en „Les femmes” den toon eener ondragelijke affectatie aansloeg.

Als staatkundig redenaar schitterde in die dagen bovenal Mirabeau. Voorts onderscheidden zich op dat gebied de cardinaal Maury, Mounier, Lally-Tollendal, Clermont-Tonnerre, Duport, Barnave, Sieyès, en van de Girondijnen inzonderheid Vergniaud. De redevoeringen in de Nationale Conventie en in het Directoire waren vaak niets anders dan uitbarstingen van woede. De dagbladen spraken in den aanvang van dit tijdperk de taal der hartstogt, doch gedurende het Schrikbewind werden zij met bloed geschreven, totdat Napoleon hen na den 18den Brumaire kortwiekte.

Het tijdperk van het Keizerrijk en van de Restauratie. Dit tijdperk was aanvankelijk niet gunstig voor de ontwikkeling der nationale letterkunde. Vele uitstekende mannen hadden zich wegens de woelingen der revolutie eene vrijwillige ballingschap opgelegd of zagen zich verstoken van de noodige kalmte, om zich aan de beoefening der letteren te wijden. Napoleon I was te zeer een voorstander der exacte wetenschappen om haar te bevorderen, en zijne geweldige oorlogen hielden het land in spanning, terwijl hij tevens de magt van het vrije woord te goed kende, om het niet te duchten. Eindelijk echter ontstond er eene nieuwe letterkundige school; de grondslagen van deze werden gelegd door madame de Staël, Chateaubriand en Charles Nodier.

Tot de lyrische dichters van die dagen behoorde Antoine Desaugiers (1772—1827), wiens „Chansons” eene echt nationale kleur hebben, — voorts Casimir Delavigne, de vervaardiger der algemeen geprezene „Messéniennes", — Alphonse de Lamartine, die zich meer en meer van de classieke vormen losrukte, —Béranger, de dichter van schaars geëvenaarde volksliederen, — en Victor Hugo, de stichter en hoofdleider der romantische school, tot wiens gevolg Emile en Antoine Deschamps, Sainte Beuve, Alfred de Musset en Alfred de Vigny gerekend worden.

Het hevigst was de strijd der classieke en romantische school op dramatisch gebied. Tot de eerste behoorden Chénier en Laharpe, beide uit het voorafgaand tijdperk afkomstig, terwijl Soumet en Delavigne tusschen die beide rigtingen weifelden, en Nepomucène Lemercier een eigen weg volgde. De voornaamste tooneeldichters der romantische school waren Victor Hugo en Alexandre Dumas, bij wie men Alfred de Vigny kan voegen. Naast deze school ontstond ook eene realistische, waartoe Prosper Mérimée, Vitet enz. behooren. Als merkwaardig vermelden wij nog de „Soirées de Neuilly”, onder den pseudonym de Fongerai (Dittmer en Cavé) uitgegeven, — de geestige „Proverbes dramatiques” van Thomas Leclercq, — en de „Scènes populaires” van Mannier. Eindelijk mag Scribe als een geestig en vruchtbaar schrijver van vaudevilles niet vergeten worden.

Voorts hebben in dit tijdperk uitstekende Fransche schrijvers hunne krachten besteed aan den roman. Aan dezen hebben Chateaubriand en madame de Staël hun roem grootendeels te danken. Nodier schreef keurige novellen, en op het gebied der historische romans komt aan Victor Hugo voor „Nôtre Dame de Paris” en aan de Vigny voor „Cinq Mars” de hoogste lof toe. Onder de zielkundige romans verdient „Picciola” van Saintine eene roemrijke vermelding, terwijl Paul Louis Courier uitmuntende pennevruchten aanbood.

Men telt in dit tijdperk 3 scholen van geschiedschrijvers, namelijk de stelselmatige, vertegenwoordigd door Guizot, die de feiten zamenvoegt, hieruit gevolgtrekkingen afleidt, en zich vaak in bespiegelingen verliest, — de beschrijvende of verhalende, waartoe Barante en de beide Thierry’s behooren, die den loop der gebeurtenissen schildert, zonder zich daarbij eenige opmerking te veroorloven, — en de fatalistische met Mignet en Thiers als aanvoerders, die de voorvallen, de goede en slechte daden der hoofdpersonen voorstelt als onvermijdelijke gevolgen der omstandigheden. Toch zijn die scholen niet streng gescheiden, zoodat de uitstekende geschiedschrijver Michelet (♰ 1874) zoowel tot de eerste als tot de tweede behoort; immers hij verhief de pragmatische behandeling tot eene wijsgeerige, en de beschrijvende tot eene dichterlijke. Simonde de Sismondi bekleedt meer als geschiedvorscher dan als geschiedschrijver een hoogen rang. Niet onverdienstelijk zijn de geschriften van den graaf de Montlosier. Voorts maakte Augustin Thierry zich beroemd door zijne „Histoire de la conquête d’Angleterre par les Normands”, — Parante door de „Histoire des ducs de Bourgogne”, — en vooral Michaud door zijne „Histoire des croisades”.

De gebeurtenissen der groote Revolutie werden op eene voortreffelijke wijze voorgesteld door Thiers en door Mignet. Onder de geschiedschrijvers, die de voorvallen van het Keizerrijk beschreven, bekleedt de graaf de Ségur de eerste plaats. Zijne „Histoire de Napoléon et de la grande armée” vond ongemeenen bijval. Intusschen heeft ook het „Précis des événements militaires (1816—1826, 19 dln)” van Matthieu Dumas groote verdiensten, terwijl tevens de werken van Henri de Jomini, George de Chambray, den maarschalk Gouvion de Saint-Cyr en Foy met regt op prijs gesteld worden. Voorts heeft men over de revolutie en het Keizerrijk wederom een overvloed van '„Mémoires”, zooals die van Napoleon zelven, van Las Cases, Bausset, Constant, madame Campan, de hertogin d'Abrantès, enz.

Het regéringstijdperk van Louis Philippe. De Julij-omwenteling bragt velen van het gebied der letterkunde op dat der politiek, hoewel sommige dichters van de restauratie, zooals Sainte-Beuve, de Vigny, de Lamartine en Victor Hugo zich bij voortduring lieten hooren. Een nieuwe en geniale dichter van dit tijdperk is de satyrieke Auguste Barbier, terwijl de boekdrukkersgezel Moreau en de bakker Reboul mede goede verzen leverden. Het drama, waarvan Victor Hugo va Alexandre Dumas de vertegenwoordigers bleven, ontsloeg zich gaandeweg van alle banden, zelfs van de door de Académie geijkte regelen, en bekreunde zich niet langer om de vroeger gehuldigde eenheid van tijd, plaats en handeling, noch om het conventionéle getal van 5 bedrijven. Daarbij openbaarde zich echter eene toenemende verbastering, die behagen schepte in geweldige hartstogten, in moord-en spectakelstukken, en geruimen tijd — zelfs tot nu toe — den smaak van het publiek bedierf. Voorts werden kunstige decoratie-wisselingen gebezigd, om de toeschouwers in spanning te houden. Die prikkels waren echter niet van zoo duurzamen aard, of het treurspel „Lucrèce” van Ponsard, en het tooneelspel „La ciguë” van Augier werden met ongemeenen bijval begroet. Van de schrijvers van vaudevilles moeten, behalve Scribe, ook Bayard en Dumanoir vermeld worden.

Ook in dit tijdperk was de roman de hoofdzaak. Karakterromans, liefde-romans, oorlogs- en zee-romans, romans van bepaalde rigting, geschiedkundige romans enz. overstroomden het land. Tot de verdienstelijkste romanschrijvers behooren Honore de Palzac, Eugène Sue, George Sand, Alexandre Dumas en Frédéric Soulié. Allen huldigden zij het realismus, dat bij sommigen tot een grof materialismus afdaalt. Zij schreven veel, vooral wanneer zij feuilletonromans leverden, zoodat zij binnen een bepaald tijdsbestek een zeker aantal vellen in gereedheid moesten hebben.

Hierdoor vervielen zij tot eene verregaande oppervlakkigheid en ook wel tot slordigheid van stijl. Voorts noemen wij nog Charles de Bernard, Emile Souvestre, Louis Reybaud, Léon Goslan, Elie Berthet, Jules Janin, Mery, Alphonse Karr en Jules Sandeau. Voor uitspanningslectuur zorgde inzonderheid ook Paul de Kock die de voetstappen volgde van Pigault Lebrun. Eene uitstekende nouvelle leverde Mérimée in „Colomba”.

De beoefening der geschiedenis werd niet verwaarloosd. Augustin Thierry en Mignet gingen voort op den ingeslagen weg, en Thiers vond bij de bezigheden zijner ministersbetrekking nog tijd om eene „Histoire du consulat et de l’empire” te schrijven. Voorts noemen wij onder de geschiedschrijvers van dien tijd Michelet en Henri Martin, — voorts Amédée Thierry, Pazin, Droz en Parante. De geschiedenis der groote Revolutie werd te boek gesteld door Félix de Conny, Armand Marrast en Cabet, wiens „Histoire de la révolutionde 1789" van communistische denkbeelden is doorzult. Een boeijend partijschrift is verder de „Histoire de dix ans” van Louis Manc. Tot de „Mémoires” van dit tijdperk behoren die van den maarschalk Ney, van Lamarque, Grégoire en Lafayette. Ook bevorderde Guizot de uitgave der „Collection de documents inédits sur l’histoire de France”, terwijl de „Histoire littéraire de France", door de Benedictijnen begonnen, met ijver werd voortgezet. Nisard, Fauriel, Ampère en Magnin leverden desgelijks geschriften over de geschiedenis der letterkunde, en van de vermaardste kunstregters van die dagen vermelden wij de Sacy, Sainte Beuve, Saint-Mare Girardin, Philarète Chasles, Gênin en Théophile Gautier.

De journalistiek onderging eene aanmerkelijke verandering. De dagbladen van 80 francs elken jaargang vonden aftrek bij 2 klassen, namelijk bij den legitimistischen adel en bij den gezeten burgerstand, — zulke, die zich toegang zochten te verwerven tot de lagere standen, bezweken weldra uit gebrek aan koopers. Toen verminderde Girardin den prijs op het halve bedrag, en men beijverde zich tevens, om in het feuilleton voor uitspanningslectuur te zorgen. Hierdoor verloor de dagbladpers een groot deel van haar staatkundigen invloed, terwijls zij tevens het socialismus bevorderde en het einde van dit tijdperk bespoedigde.

Het tijdperk van de Februarij-omwenteling in 1848 tot op onze dagen. Na genoemde omwenteling maakte de geest der politiek zich meester van de meest-begaafde letterkundigen. Zij schreven opstellen over maatschappelijke vraagstukken, en zelfs de voortbrengselen der romandichters, zooals George Sand, Dumas en Sue, begonnen ernstige bedoelingen te verraden. Ook de socialistische gevoelens hadden een zanger in Pierre Dupont. Van de overige lierdichters vermelden wij Victor de Laprade en Joseph Autran en vooral Leconte de Lisle, — voorts Théophile Gautier, Theodore de Banville, Charles Beaudelaire, Louis Bouilhet, Amédée Pommier, Auguste Lacaussade, André Lemoyne en André Lefèvre. Eene nieuwe rigting volgde Maxime Ducamp, door zijne onderwerpen te ontleenen aan het hedendaagse,he leven, — en op dat spoor bewoog zich ook de grijze Victor Hugo, toen hij in den jongsten tijd in „L'année terrible” den strijd met Duitschland bezong.

Het drama wekt in dit tijdperk de levendigste belangstelling. Meer dan 300 letterkundigen wijden daaraan hunne krachten, en onder deze Ponsard aan het blijspel, — Octave Feuillet, Léon Laya en Camille Doucet aan het burgerlijk tooneelspel. Amédée Rottard, Louis Bouilhet, Pailleron en Henri Meilhac pogen eene dichterlijke opvatting met een gekuischten stijl te verbinden, terwijl voorts de réalistische rigting gehuldigd wordt door Alexandre Dumas (de Jongere), Emile Augier, Théodore Barrière en Victorien Sardou. Op het gebied van het kluchtspel heerschen Lambert Thiboust, Labiche, Clairville en Siraudin, — terwijl Dennery, Anicet-Bourgeois, Paul Meurice, Victor Séjour, Ferdinand Dugué enz. schrikwekkende drama's en melodrama's doen opvoeren, die evenwel slechts voor korten tijd de belangstelling gaande houden. In al die stukken geeft men aan het proza de voorkeur.

Nog steeds behooren novellen en romans tot de lievelingen van het lezend publiek. Wel was de avontuurlijke roman door „Le comte de Monte-Christo" van Alexandre Dumas (♰ 1870) in miscrediet gekomen, doch Paul Fêval en de vicomte Ponson du Terrail zochten dit genre weder op te heffen. Ook George Sand handhaaft nog altijd — vooral in hare keurige novellen in de „Revue des Deux mondes” — haren beroemden naam. Voorts is veel goeds geleverd door Octave Feuillet, Alexandre Dumas de Jongere, Champfleury en Henry Murger. Uit lateren tijd vermelden wij „Madame Bovary” van Gustave Flaubert, en „Fanny” van Ernest Feydeau, waardoor een nieuw tijdperk werd ingewijd, waarin Edmond About, Erckmann-Chatrian, Alfred Assolant, Eugène Fromentin. Jules Claretie, Marc Bayeux, Charles Bataille, Gustav Droz (schrijver van „Monsieur, Madame et Bébé”) Gustave Aimard, Amedée Achard, enz. op den voorgrond staan.

Op het gebied der historie schitteren er nog steeds mannen van het voorgaande tijdperk, namelijk Thiers, Michelet (♰ 1874), Louis Blanc, Martin en Mignet (♰ 1874), terwijl Cousin historische studiën leverde over den toestand der vrouwen en der maatschappij van de 17de eeuw in Frankrijk. Van de „Mémoires” van dit tijdperk vermelden wij de „Mémoires d’outre-tombe” van Chateaubriand, — de levensgeschiedenis van George Sand, — de herinneringen en brieven van madame Récamier, — de „Mémoires" van Dupin, — de „Mémoires pour servir à l'histoire de mon temps” van Guizot, — de „Souvenirs contemporains d'histoire et de littérature” van Villemain, — de „Mémoires’ van Carnot, — die van Soult, — de „Mémoires et correspondance politique et litéraire du roi Joseph (1853—1856, 10 dln)", — en vooral de „Correspondance de Napoleon I'1. Op het gebied der letterkundige eritiek bekleeden Prévost-Paradol (♰ 1870), Weisz, Taine en Scherer een hoogen rang. De geschiedenis der Fransche letterkunde is met ijver en belangstelling behandeld door Nisard (Histoire de la littérature Française (1846—1861, 4 dln), Demogeot (Histoire de la littérature Française (1857 en later, 3 dln), Gereizez (Histoire de la littérature Française, (1852 en later, 2 dln), en anderen. Voorts heeft men een „Cours de la littérature Française (1828—1830, 6 dln)” van Villemain. .Sedert het jaar 1870 echter kwijnt de Fransche letterkunde onder den druk der treurige omstandigheden, die zoowel aan den nationalen rijkdom als aan de nationale ijdelheid een gevoeligen slag hebben toegebragt.

Op de letterkunde laten wij de muziek volgen. Gelijk alle Germaansche volkeren, zoo hadden ook reeds de Franken volksmuziek, waarvan zij zich bedienden bij feesten en in den oorlog. Pharamond werd aan het hoofd van zijn leger bij het ruischen der muziek tot koning uitgeroepen. Weldra echter werd de volksmuziek in de schaduw gesteld door de kerkelijke muziek. Men verhaalt, dat Chlodwig, toen hij zich na den slag bij Zülpich op Kerstmis liet doopen, door de pracht der eeredienst en vooral door de muziek zóó getroffen was, dat hij terstond in een ijveraar voor het Christendom veranderde.

Eene eigenaardige volksmuziek verhief zich in de 10de eeuw in Provence, toen de Franken zich reeds lang van hunne Duitsche stamgenooten hadden afgescheiden. In datzelfde gewest ontstonden later de troubadours, gevolgd door de trouvères in het noorden van Frankrijk. De jongleurs of ménétriers (meistreels), die hen gewoonlijk vergezelden, verbreidden de wereldlijke muziek onder het volk. Hoewel ten tijde van Lodewijk XI de kerkeiijke muziek opnieuw de overhand verkreeg, ontving tevens de volksmuziek steun door de uitvinding van het notenschrift, door de kluchten, mystériën en ezelsfeesten, waarbij men ook eene vrolijke muziek dikwijls kwalijk missen kon.

Niettemin begonnen er eerst, onder den invloed van Italiaansche en Nederlandsche meesters, in de 16de eeuw verdienstelijke componisten op te staan, zooals Carpentras , Gerton, Claudin Sermisy, Jannequin, Moulu, Maillard, Barré, enz. Het ballet werd er uit Italië ingevoerd bij het huwelijk van Karel van Lotharingen, en de hiervoor vereischte muziek werd door Lambert de Beaulieu en Salmon vervaardigd. Nog grooter was de vooruitgang der muziek, toen Mazarin in 1647 een Italiaansch operagezelschap naar Parijs ontbood. Daarna leverden Berrin den tekst en Cambert de muziek van de eerste Fransche opera’s, en in 1669 werd de Académie royale de Musique (Groote opera) in Frankrijks hoofdstad gesticht. Weldra schitterden (in 1672 en later) Lully als componist en Quinault als dichter op het gebied der opera. Na hen verscheen Rameau, de grondvester van de leer der harmonie en in zijn tijd de vermaardste orgelspeler in Frankrijk.

De Franschen beschouwden hem en Lully als de grootste componisten, zoodat zij zich gekrenkt gevoelden, toen Rousseau en eenige invloedrijke encyclopédisten de voorkeur gaven aan de Italiaansche muziek. Beide partijen hadden hare aanhangers, en er werd heftig gestreden. Tegen beide trok Glück te velde, die zich in 1774 te Parijs gevestigd had en eene hervorming der muziek beoogde. De voorstanders der Italiaansche muziek riepen hierop Piccini, den voortreffelijksten Italiaanschen opera-componist, naar Parijs, en de strijd ontbrandde op nieuw. Hij werd door Glückisten en Piccinisten met de meeste verbittering gevoerd, totdat Glück door zijne „Iphigenia in Tauris (1776)” de overwinning behaalde.

Eene echt nationale Fransche muziek der 18de eeuw was die der comische opera, — niet zoozeer der eigenlijke „Opera buffa”, maar der „Opera di mezzo stilo”, waarin ernstige en koddige tafereelen elkander afwisselen.

Philidor, Duni, Monsigny en vooral Grétry waren de voornaamste vertegenwoordigers dezer soort. Op hen volgden Delta Maria en Dalayrae, alsmede Gossec, een Belg van afkomst, die te Parijs het eerst een goed orkest organiseerde. In 1795 werd er het Conservatoire gesticht. Tot de toonkunstenaars der 18de eeuw behooren er Cherubni en Spontini, die, schoon van Italiaanschen oorsprong, in Franschen geest werkzaam waren, benevens Méhul, — voorts Berton, Lesneur, Boieldieu, Nicolo Isouard enz. Later werd er Auber de held der muziek, terwijl ook Rossini, nadat hij zich te Parijs gevestigd had, grooten roem inoogstte.

In 1831 verkreeg Meyerbeer een belangrijken invloed op de Groote opera te Parijs, terwijl ook Halévy, Berlioz en Adam veel voortreffelijks leverden. In 1844 kwam de muziek van Félicien David, later die van Gounod in den smaak, en ook Thomas, Maiïlart, Massé, benevens de Belgen Gevaert en Limnander verdienen vermelding. Op het gebied der kerkelijke muziek bekleedt er Cherubini den eersten rang. In de 19de eeuw heeft Frankrijk uitmuntende vioolspelers voortgebragt, zooals Viotta,Bode, Kreutzer en Baillot. Van zijne zangers noemen wij Elleviou, Martin, Nourrit, Duprez, Roger en Levasseur, en van zijne zangeressen Branchu, Damoreau-Cinti, Falcon, Stoltz en Cruvelli, terwijl Catel, Reicha, Fétis, Choron, Perner, enz. over de geschiedenis der toonkunst hebben geschreven.

Omtrent het Fransche regt vermelden wij het volgende: Zijne oudste geschiedenis valt zamen met die van het Germaansche, hoewel het meer Romaansche bestanddeelen opnam, daar de Franken zich met de inwoners des lands vermengden. Elke stam had aanvankelijk zijne eigene wetten. Naast elkaar bestonden het Frankische en Bourgondische volkenregt, het West-Gothische wetboek, het Alemannische regt en het Romeinsche regt, welke laatste door de Kerk begunstigd werd. Deze toestand bleef nog bestaan onder het Karolingische Huis, toen algemeene verordeningen onder den naam van „Capitularia” werden uitgevaardigd. Daarenboven geven de bewaard gebleven oorkonden eene duidelijke voorstelling van de regtsbedeeling in Frankrijk tot aan de 10de eeuw.

Eigenaardig zijn voorts de gewoonteregten der bewoners van Normandië, in de 13de eeuw in den „Codex legum Normannicarnm” verzameld. Door de vermenging der volksstammen ontstond allengs de Fransche natie en ook het Fransche regt. Toch had men in het zuiden een geschreven regt (droit écrit), en in het noorden een gewoonteregt (droit coutumier), waarin wijzigingen gebragt konden worden door verordeningen van de wetgevende magt (ordonnances, établissements), die niet alleen van de koningen, maar ook van de leenheeren uitgingen. Regtsgeleerden hebben de plaatselijke en gemeenschappelijke wetten en regten van de 13de eeuw af zoeken bijeen te brengen, bijvoorbeeld in het „Livre de la reine Blanche”, in het „Conseil” (van P. de Fontaines)", in den „Grand Coutumier”, in de „Établissements de Saint Louis”, en de „Coutumes de Beauvoisis (van Beaumanoir)", in het „Livre de justice et de plêt”, in de „Coutumes de Champagne et de Brie”, — voorts in de „Coutumes notoires”, en de „Décisions (van Jean Demares)”, in den „Ancien style du Parlement”, in den „Grand coutumier du temps de Charles VI”, in de „Somme rurale”, enz.

In de 15de en 16de eeuw werd het koningschap het middelpunt van het Fransche regt, zoodat men verzekeren kon „L’histoire des ordonnances est l’histoire de France". De gedachte aan eene eenvormige wetgeving voor het geheele rijk openbaarde zich reeds bij Lodewijk XI, maar werd vooral gekoesterd door den man der staatsalmagt, door Lodewijk XIV, hoewel zij eerst na de Revolutie een behoorlijken vorm verkreeg. Trouwens hieraan waren wegens de geldigheid van het Romeinsche regt, van het geschreven regt en van het gewoonteregt groote zwarigheden verbonden. Daarenboven had men eene zee van „Ordonnances”. Tot de belangrijkste van deze behoorden die van 1535 over de hervorming der regtspleging, — die van Villers-Cotterets (1539), het geloofsonderzoek regelend, — die van Orléans (1560) en die van Blois (1576 en 1579), — alsmede de „Code-Marillac", eene verordening van Lodewijk XIII (1629). Van meer algemeenen en stelselmatigen aard waren de „Ordonnances” van Lodewijk XIV, zooals de „Ordonnance civile (1667)”, — de „Ordonnance criminelle (1670)”, — de „Ordonnances sur l'administration des villes (1667, 1672 en 1687)’’, — de „Ordonnance des eaux et forêts (1669)", — de „Ordonnance du commerce (1673)”, — de „Ordonnance de marine (1681)”, enz. Lodewijk XV ging in dezelfde rigting voort onder de leiding van den schranderen kanselier d'Aguesseau. Voorts had de uitgave van verzamelingen van gewijsden, pleitredenen enz. een weldadigen invloed op de ontwikkeling van het regtswezen.

Toch was in de 18de eeuw, vóór het uitbarsten der Revolutie, niet veel vooruitgang in de regtsbedeeling te bespeuren. Naast het Romeinsche regt deed het gewoonteregt zich gelden, en zelfs de Fransche regtsgeleerden waren het niet eens over den aard van het nationale regt. Er kwam nog bij, dat adellijken , geestelijken en stadsburgers in het bezit waren van vele voorregten, en dat ook het Kerkelijk regt niet voorbijgezien wilde wezen. Voegde zich dit laatste naar het wereldlijk regt, het bezat tevens de bevoegdheid, om ketters te vervolgen en te onderdrukken. In het strafregt had men nog eene dubbele tortuur, eene „Question préparatoire” om de bekentenis af te persen, en eene „Question préalable'1 vóór de teregtstelling, om de namen van medepligtigen uit te vorschen.

Wél begon de volksgeest zich tegen die barbaarschheden en tegen vele middeleeuwsche instellingen te verzetten, doch een geschrift „Des inconveniences des droits féodaux (1776)” werd nog op last van het Parlement door beulshanden verbrand. Intusschen werden ten tijde van Turgot en Necker reeds vele gedeeltelijke maatregelen|genomen, om den opkomenden storm te bezweren, zooals de opheffing van het lijfeigenschap op de koninklijke domeinen (1779), de gelijkstelling der Protestanten voor de wet (1787), enz. Doch zulk een gedwongen toegeven kon den toom der Revolutie niet tot bedaren brengen, en toen zij zich verhief, werd de behoefte aan een algemeen burgerlijk wetboek levendig gevoeld. Dit werd echter eerst vastgesteld in den aanvang dezer eeuw (zie Code Napoléon), terwijl den 28sten April 1832 in den „Code pénal” en in den „Code d’instruction criminelle” en den 8sten Junij 1838 in den „Code de commerce” wijzigingen zijn gebragt.

Eindelijk heeft Frankrijk niet alleen uitstekende regtsgeleerden, maar vooral welsprekende pleitbezorgers opgeleverd. Van deze noemen wij Dupin, Berryer („Le prince de la parole”), Lachaud, Jules Favre enz.

Ook de wijsbegeerte in Frankrijk mogen wij niet met stilzwijgen voorbijgaan. De Franschen hadden reeds vroeg een belangrijken invloed op de ontwikkeling der wijsgeerige denkbeelden in het Westen. Tusschen de 12den het midden der 14de eeuw werd te Parijs bij afwisseling de groote strijd gestreden tusschen Scholasticismus en Mysticismus, tusschen Nominalismus en Realismus, tusschen kerkgeloof en zelfstandig onderzoek, en de voornaamste voorvechters, zooals Abailard, Thomas Aquinas enz. waren zelve Franschen of toefden althans te Parijs. Montaigne en Charron waren voorts de eersten, die het juk der schoolgeleerdheid durfden af werpen. Met betrekking tot de staatkunde ging Jean Bodin in zijn boek „De la république” nog veel verder. De hoofdman der Fransche wijsbegeerte en der wijsbegeerte in het algemeen in de 17de eeuw was Réne Descartes, die den moed bezat, om het oude spoor te verlaten en eene nieuwe methode der wetenschap vast te stellen, volgens welke hij al hare waarheden uit bespiegeling des geestes a priori afleidde en zich alzoo evenzeer verwijderde van de empiristen als van de scholastieken. Het standpunt van Descartes, hoewel door het onderzoek van Kant gewijzigd, werd dat der latere wijsgeeren. Weldra ontstond er eene belangrijke beweging op het gebied der wijsbegeerte, zoowel in Frankrijk als inzonderheid in Nederland.

Er traden aanhangers en tegenstanders van Descartes in het strijdperk, en eene geweldige wrijving schonk warmte en licht. Men verbond de wijsbegeerte met de wis- en natuurkundige wetenschap, en men gebruikte ze als een wapen tegen de aanmatigingen der Kerk, zooals blijkt uit de geschriften van Louis de la Forge, Antoine Arnauld, Pierre Nicole, Blaise Pascal, Gassendi en Mersenne, terwijl Malebranche en voorts de Nederlanders Geulinx en bovenal Spinoza de stellingen van Descartes met ijver ontwikkelden. Tegen de dogmatische rigting der Cartesiaansche school verhieven zich Hüet en de Lamothe le Vayer. Zonder een gestreng wijsgeerig stelsel te huldigen schreef voorts Fénélon zijne „Recherches sur l’existence de Dieu”, en ook Bossuet was in zijne „Connaissance de Dieu et de soi-même” niet afkeerig van wijsgeerige bespiegeling. In de 17de eeuw ontwaakte echter reeds een geest van ligtzinnnigheid, die geestigheid als diepzinnigheid, zelfzucht als levenswijsheiden oppervlakkige waarneming als gezonde wijsbegeerte beschouwde, — een geest, die zich openbaarde in de geschriften van Saint-Evremont en den hertog de la Rochefoucault. Het „Projet d’une nouvelle métaphysique (1703)” van Brunei had geen invloed, doch Pierre Bayle streed bereids in de 17de eeuw tegen wijsgeerige en kerkelijke stelsels en tegen de vooroordeelen van zijne dagen.

De 18de eeuw, bij uitnemendheid „Le siècle philosophique” genaamd, voleindigde wat de voorgaande begonnen was. Er ontstond zoowel een hevig verzet tegen de misbruiken in Kerk en Staat, als eene gezindheid, om elke godsdienstige en zedelijke overtuiging te ondermijnen. De voornaamste vertegenwoordiger van deze rigting was Voltaire, die het empirismus van Locke tot de diepten van materialismus en atheïsmus deed afdalen. De merkwaardigste verkondiger der wijsbegeerte van Locke was Condillac, die gevolgd werd door Diderot en d’Alembert, en deze bragten hunne gevoelens door middel der „Encyclopédie” onder het volk. Zij werden niet voorgesteld als de vruchten van bezadigd en grondig wijsgeerig onderzoek, maar in den schitterenden mantel van fraaije vormen. In het „Système de la nature” van Holbach en in de geschriften van Lamettrie werd de zedeleer in eene zinnelijke genotsleer herschapen en alle godsdienst verworpen. Hiertegen verzette zich Jean Jacques Rousseau en verklaarde — schoon zelf alles behalve een toonbeeld van zedelijkheid en deugd — met geestdrift een oorlog op leven en dood aan allen, die de laaghartigheid zoo ver dreven. Daarom kon zijne verbindtenis met de Encyclopédisten niet van duur zijn, daar hij vereenvoudiging der zeden, verwijdering van alle logen en huichelarij en een terugkeer tot een meer natuurlijken toestand in de maatschappij , de godsdienst en den Staat bedoelde.

Hij vond steun bij Montesquieu, die in zijn „Esprit des lois” eene critische beschouwing geleverd had der verschillende staatsvormen. In zijn strijd tegen het materialismus werd hij bijgestaan door uitstekende natuuronderzoekers, zooals Bonnet, schrijver van de „Contemplation de la nature (1764)” en Robinet, die in 1767 zijne „Considérations philosophoques de la gradation naturelle des tormes de l’être” uitgaf. Hij was echter niet in staat, om eene nieuwe wijsgeerige school te stichten, zoodat die van Condillac weder bloeide in Cabanis, Destuit de Tracy (schrijver van „Eléments d’idéologie”), Volney (de schrijver van de vermaarde „Ruines”), Laromiguière, Garat, Broussais, en Azaïs, die een „Système universel de la philosophie (1810—1812,8 dln)” leverde Ook de bijval, dien de schedelleer van Gall in Frankrijk genoot, ontsproot uit hare overeenstemming met de sensualistische wijsbegeerte, door Cabanis uitgedrukt in de stelling: „Les nerfs, voila tout l’homme”. Tegenover deze ontstond als natuurlijke reactie, eene theologisch-mystieke, die zich openbaarde in het boek: „Des erreurs et de la vérité” van St. Martin, — in „Le génie du Christianisme (1802)” van Châteaubriand, — in „Les soirées de St. Pétersbourg (1821)” van de Maistre, — in de „Esquisse d’une philosophie (1841)” en de „Paroles d’un croyant” van Lamennais, — in het „Traité complet de philosophie au point de vue du catholicisme (1840, 3 dln)” van Buchez, — in de „Philosophie des lois au point de vue chrétien (1860)” van Bautain, — en in de „Méditations sur l'essence de la religion chrétienne (1864)” van Guizot.

Eindelijk ontstond tusschen de uitersten van het Sensualismus en het Katholicismus eene nieuwe wijsbegeerte, namelijk het Eclectismus, die ’s menschen godsdienstige en zedelijke belangen erkende, doch godsdienst en zedelijkheid niet uit de openbaring, maar uit de rede afleidde. Die rigting werd het eerst gevolgd door Bérard, Virey, Kératry, Massias, Ancillon, Maine de Biran enz. en verwierf door Royer Collard en zijn leerling Victor Cousin groot gezag. Op beiden had de studie der Schotsche en Duitsche wijsbegeerte grooten invloed, en zij zochten de wijsbegeerte in Frankrijk terug te leiden tot het idealismus van Descartes. Vooral Victor Cousin maakte zich door zijne voorlezingen en geschriften over de geschiedenis der wijsbegeerte hoogst verdienstelijk. Andere bekwame mannen, zooals Jouffroy en Benjamin Constant, voegden zich aan zijne zijde. Grooten opgang maakten voorts in Frankrijk zoodanige wijsgeerige geschriften, die ter oplossing moesten dienen van sociale vraagstukken, zooals die van Saint-Simon, (1760—1825), Fourier, Gabet, Broudhon enz. In den jongsten tijd hebben de beoefenaars der wijsbegeerte in Frankrijk zich meer dan te voren in kennis gesteld met de uitkomsten dier wetenschap in Duitschland, zooals ook blijken kan uit de werken van Janet, Véra, Quinet, Renand, Lerminier en anderen. Vooral ook heeft de staathuishoudkunde, zoo naauw met de wijsbegeerte verbonden, in Frankrijk uitstekende beoefenaars gevonden in Quesnay, Turgot, Say, Blanqui, Droz, Bastiat, enz. — Onder de beoefenaars der wis- en natuurkunde mogen Buffon en vooral Cuvier, schrijver van de „Ossements fossiles” en van de „Révolutions du globe”, voorts Laplace, Lavoisier, Lacepède, Arago, Pouillet, Poisson, Collet, Lalande, Delambre, Coulomb, Duhamel, Navier, Paye, Leverrier enz. niet worden vergeten.

De Fransche taal heeft zich ontwikkeld uit het Latijn, dat door de Romeinsche legioenen in Gallië was verspreid. Het Latijn had er in de 7de eeuw alle andere talen verdrongen, ofschoon er bestanddeelen van deze in de volkstaal waren overgebleven. In den aanvang der 9de eeuw splitste zich de taal in 2 hoofddialecten, namelijk het Zuid-Fransch of de „Langue d’oc” en het Noord-Fransch of de „Langue d'oil of d’oui”, zooals wij reeds in ons verslag der Fransche letterkunde hebben opgemerkt. Langzamerhand werd het Zuid-Fransche dialect door het Noord-Fransche overvleugeld, zoodat dit laatste zich onder Frans I tot algemeene schrijftaal verhief en door alle beschaafde Franschen gesproken werd. Doch ook het Noord-Fransch verdeelde zich in verschillende tongvallen, gelijk er ook thans nog in menigte in Frankrijk bestaan. Het Fransch wordt voorts gesproken in een groot deel van België, Duitschland (Elzas-Lotharingen) en Zwitserland, alsmede in de Fransche bezittingen in de overige werelddeelen, terwijl deze taal de geliefkoosde taal der vorstelijke Hoven en tevens eene soort van wereldtaal geworden is, wier kennis niet vreemd mag wezen aan dengene, die in onze dagen aanspraak wil maken op den naam van ontwikkeld en beschaafd.

De oud-Fransche taal verschilt tot aan het einde der 15de eeuw aanmerkelijk van de hedendaagsche schrijftaal, zoodat zij eene opzettelijke beoefening vereischt. Ten tijde van Frans 1 werd de schrijftaal aan regels gebonden, en de taal der beschaving begon zich aanmerkelijk te onderscheiden van het volksdialect. De Italiaansche en Spaansche letterkunde deed voorts haren invloed gelden, totdat eindelijk in de eeuw van Lodewijk XIV de Fransche taal in vaste vormen werd gedrongen, die tot nu toe alle wisselingen hebben getrotseerd. De eerste Fransche spraakkunst, welke in Frankrijk het licht zag, was eene in het Latijn geschrevene van Jacques Dubois, getiteld „Sylvii in linguam Gallicam isagoge (1531!”. Hij werd door anderen gevolgd, maar vooral Robert en Henri Etienne leverden grondige werken over de Fransche taal. Het boek van Vauyelas „Remarques sur la langue Française (1647)” was eene inleiding tot de taalkundige werken der Académie.

Voorts heeft men spraakkunsten van „MM, de Port-Royal (1660)”, — van De Wially, van Gerault-Duvivier, van Landais, van Bescherelle, van Poitevin, van Boniface, enz. Het eerste Fransche woordenboek („Dictionnaire Français-Latin”, 1539) is afkomstig van Robert Etienne, en werd bij herhaling uitgegeven. Andere woordenboeken zijn die van Richelet (1680), Furetière (’s Hage, 1690), welk laatste door de Jezuïeten op nieuw is uitgegeven onder den titel van „Dictionnaire de Trévoux (1704 en later)”, en eindelijk de „Dictionnaire de l'Académie Française (1694)”, dat in 1835 eene 6de uitgave beleefde, later met supplementen is voorzien, en als gezaghebbend wordt aangemerkt. Onder de dictionnaires van den laatsten tijd is voorzeker die van Littré (1863 en vervolgens) de belangrijkste. Van denzelfden schrijver bestaat eene uitmuntende „Histoire de la langue Française (1863, 2 dln)”.

Het Fransche tooneel hield, gelijk overal, gelijken tred met de ontwikkeling der dramatische dichtkunst. Den gang van deze laatste hebben wij voorgesteld in de beknopte beschrijving der Fransche letterkunde. De leden eener vereeniging, die zich in het midden der 16de eeuw verbond met den dichter Jodelle, om zijne stukken op te voeren, waren de eersten die zich met den naam van comédiens bestempelden en door den prikkel der nieuwheid grooten toeloop kregen. De ijverzuchtige vertooners der passie-spelen handhaafden echter hunne privilegiën, en de schouwburg der comédiens werd gesloten. Daarentegen ontvingen de passie-tooneelisten in 1543 van de zijde van het Hof het bevel, om niet langer mysteriën, maar gepaste wereldlijke stukken op te voeren. Nu vonden zij geen bijval meer, maar schikten zich in het geval, daar zij met de verzekering, dat het opvoeren van wereldlijke stukken onvoegzaam was voor hunne geestelijke broederschap, hun schouwburg te Parijs aan de comédiens verhuurden. Deze begonnen nu in 1548 in het Hôtel de Bourgogne te spelen, en op deze wijze ontstond het Théâtre Français. Niet lang daarna gaf een Italiaansch tooneelgezelsehap voorstellingen in het Hôtel de Bourbon.

Voorts kwamen er kermistenten, en eene van deze veranderde in het Théâtre du Marais, hetwelk met dat der comédiens wedijverde. Eindelijk verscheen ook Molière te Parijs en vond er weldra zoo groote ondersteuning bij het Hof, dat men hem een gedeelte van het Palais Royal inruimde ten behoeve zijner voorstellingen. Na zijn dood (1673) werden deze eenigen tijd geschorst, terwijl zijn tooneelgezelsehap zich vervolgens vereenigde met dat van het Théâtre du Marais. Onder Lodewijk XIV ontving het tooneelgezelschap van het Théâtre Français in het Hôtel de Bourgogne den naam van „Troupe royale”. Genoemde Italiaansche troep kon zich te Parijs niet staande houden, en een tweede evenmin. Beter ging het met een derden, die in 1680, toen zich de beide Fransche tooneelgezelschappen in het Palais Royal tot het Théâtre Français vereenigden, het Hôtel de Bourgogne betrok.

Dit droeg nu den naam van Théâtre Italien. Het werd onder Lodewijk XIV wegens eene beleediging, madame de Maintenon aangedaan, gesloten, en door den Regent weder geopend, waarna de tooneelisten zich „La troupe Italienne de Son Altesse le duc d'Orléans” noemden. Sedert 1678 bestond de Opera comique, en daar de geestigste mannen er voor werkten, verhief zij zich weldra tot denzelfden rang als de overige schouwburgen. De opera séria werd er bekend door een gezelschap Italiaansche opera-zangers, door cardinaal Mazarin — gelijk wij vroeger reeds vermeld hebben — in 1646 naar Parijs ontboden. Daarna stichtte Perrin de groote Fransche Opera in 1669.

De dramatische kunst in Frankrijk bepaalt zich nagenoeg uitsluitend tot Parijs. Alle ontluikende kunstenaars trekken derwaarts, en dagelijks zijn er tusschen de 20 en 30 schouwburgen geopend. Men verdeelt hen in groote en kleine. Tijdens het laatste Keizerrijk droegen de eersten den naam van Théâtres impériaux en werden met belangrijke geldsommen ondersteund. De kleine, van welke sommige niet kleiner zijn dan de groote, zijn particuliere ondernemingen, die niet zelden bankroet gaan. De geheele ontvangst der schouwburgen te Parijs bedraagt jaarlijks 12 tot 15 millioen francs, en een tiende daarvan vervalt aan de algemeene armen. Ieder jaar worden gemiddeld 180 nieuwe stukken opgevoerd, maar daarvan blijft geen derde op het repertoire. Eindelijk merken wij nog op, dat voor de geldelijke belangen der tooneeldichters goed gezorgd is.

Men vindt te Parijs de volgende belangrijke schouwburgen: De groote opera of de Académie de musique, tot vóór weinig tijd in de straat Lepelletier. Men bouwde het, toen de fraaije opera-schouwburg in de straat Richelieu in 1820 na het vermoorden van den hertog van Berri gesloten werd. Het is slechts een voorloopig gebouw geweest, van hout opgetrokken, terwijl men in 1860 op het Boulevard des Capucines een allerprachtigsten operaschouwburg is begonnen te bouwen, die althans 50 millioen francs gekost heeft, maar ook al weer gedeeltelijk door brand vernield is, doch weder in gereedheid komt. Hier worden in het Fransch groote opera’s en niet minder groote balletten gegeven. Meer pracht, weelde en sierlijkheid, dan hier in personeel, costumes en decoratief heerschen, zal men elders te vergeefs zoeken. Het orkest bestaat uit 60—80 uitstekende kunstenaars — specialiteiten voor hunne instrumenten. Er is eene afzonderlijke opleidingsschool voor jonge lieden aan verbonden. Aan de groote opera hebben Kreutzer, Méhul, Gossec, Grétry, Lesueur, Cherubini, Rossini, Meyerbeer en Halevy uitstekende composities geleverd.

En van degenen, die er in de zangkunst hebben geschitterd, noemen wij: Guimard, Maillard, Dorus-gras en Stoltz, — alsmede Garrat, Lais, Nourrit en Duprez, — terwijl er Vestris en Gardel, Taglioni en Fanny Elsler als dansers en danseressen hebben uitgeblonken. — Daarna vermelden wij de Italiaansche opera in de Salle-Ventadour op het evenzoo genoemde plein. Hier verschijnt de aristocratie. Het orkest wordt beschouwd als het meest volmaakte in zijne soort. Het personeel, met de eerste rollen belast, laat niets te wenschen over. — Voorts heeft men de Opera comique, de meest nationale, die zich in de straat Favart bevindt en slechts kleine opera’s geeft. Uitstekende componisten hebben voor dezen schouwburg gewerkt, en van hen noemen wij: Isouard, Berton, Gréiry, Monsigny, Daleyrac, Boieldieu, Auber en Adam. — Daarna komen wij tot het Théâtre Français, den voornaamsten schouwburg voor het blij- en treurspel.

Van zijn ontstaan hebben wij vroeger gesproken; het ontving door de stukken van Molière, Corneille en Racine een grooten roem en werd bepaaldelijk de nationale schouwburg van geheel Frankrijk. Dáár speelden Lekain, Baron, Molé, Larive, Baptiste, Talma, Monrose enz., — voorts de dames Clairon, Dumesnil, Contat, Fleury, Raucourt, Duchesnois, Georges, Mars, Rachel en anderen. Sedert de groote Omwenteling geeft men er allerlei soort van stukken, — doorgaans elken avond een treurspel en een blijspel, ook wel twee blijspelen. Het personeel is aan eigen reglementen gebonden en staat onder het opzigt van een regéringscommissaris. — Eindelijk noemen wij het Odéon, dat op een plein nabij het Luxembourg verrijst en een der fraaiste schouwburgen is.

Op deze 5 schouwburgen van den hoogsten rang volgt een aantal van den tweeden en derden. Daartoe behooren het Gymnase dramatique op het boulevard Bonne-Nouvelle, — het Vaudeville op het Beursplein, — de Variétés op het boulevard Montmartre, — en het Théâtre du Palais-Royal, waar de opgevoerde stukken zich door geestigheid onderscheiden en vooral dienen om den lachlust op te wekken. De schouwburg van de Porte Saint-Martin, het Théâtre ambigue-comique en de Gaîté geven vooral drama’s en melodrama’s. Ook hier zijn costumes en decoraties verwonderlijk schoon. Voor opera’s en operettes heeft men nog het Théâtre lyrique en de Bouffes Parisiens, — terwijl de Folies dramatiques, de Délassements comiques, het Théâtre Beaumarchais, de Funambules, het Petit Lazzari en het Théâtre du Luxembourg kleine volksschouwburgen zijn, waar veelal koddige en vaak minder keurige stukken ten tooneele worden gebragt. Eindelijk heeft men er 4 cirques (kunstrijdersschouwburgen), namelijk de Cirque aan de Place du Châtelet, de Cirque de l'impératrice in de Champs Elysées, den ruimen Hippodrome (ook door brand vernield) nabij den Arc de l’Etoile, en de Arènes nationales, niet ver van het station van den spoorweg naar Lyon.

Wij hebben ons bij de mededeelingen van bijzonderheden omtrent Frankrijk zoo veel mogelijk op beknoptheid toegelegd, maar tevens met opzet vele namen genoemd, zoodat de lezer zich in de gelegenheid bevindt, om de afzonderlijke artikels op te slaan, die wij in dit werk aan de daardoor aangewezen personen hebben gewijd.