Gepubliceerd op 17-02-2021

Hannover

betekenis & definitie

1) De noordwestelijkste provincie van het koninklijk Pruisen, omvat de oude bezittingen van het huis Brunswijk-Lüneburg, benevens eenige in 1815 daarbij gevoegde landstreken, n.l. de vorstendommen Oost-Friesland, Hildesheim enz. Bij de inbezitneming van het in 1814 gevormde koninkrijk H. door Pruisen in 1866 werden de grenzen onveranderd gelaten en tot 1884 (zie beneden) bleef ook de oude indeeling des lands behouden.

De provincie ligt tusschen 53° 52' en 51° 17' N.B., en 11° 34' en 6° 39' O.L. v. Gr., en beslaat na de toevoeging van het door Pruisen in bezit genomen Jade-gebied een oppervlakte van 38.5111/^ km.2. Het tusschen den benedenloop van de Elbe en de Weser gelegen' hoofdgebied grenst ten n. aan de Noordzee, en langs den benedenloop van de Elbe aan Sleeswijk-Holstein, hamburgsch en mecklenburgsch gebied, ten o. aan Brandenburg en Saksen, en aan Brunswijk, ten z. aan Brunswijk, Waldeck, Lippe, Schaumburg-Lippe en Westfalen, ten w. aan Oldenburg en Bremen. In het z.w. is: het door een smalle strook lands verbonden met het tweede hoofddeel, dat zich uitstrekt aan -weerskanten van den benedenloop der Ems. Tot H. behooren mede de eilanden Spiekeroog, Langeoog, Baltrum, Norderney, Juist, en Borkum. Het derde, zuidelijk gedeelte van H., wordt door brunswijksch gebied van het hoofdtand gescheiden; kleinere exclaven liggen nog in het gebied van Brunswijk, Hessen en Lippe, terwijl H. zelf kleine brunswijksche exclaven en het hamburgsche district Ritzebüttel insluit.De hoofdmassa van H. behoort tot het noordduitsche laagland; in het zuiden liggen voorbergen en uitloopers van den Harz, en voortzettingen van het Teutoburgerwoud en het Wiehengebergte, De kreits Zellerfeld ligt in het westelijk deel van den Harz; de hoogste tappen bereiken hier 1000 meter; in het n.o. wordt de provincie over een lengte van 253 km. door de Elbe begrensd of doorsneden; zijrivieren die genoemde rivier van hier toevloeien zijn de Jeetze, Ilmenau, Luhe, Seeve, Este, Aue, Schwinge en Oste. Langs de zuidwestgrens van H. vloeit de Werra, over ongeveer 8 km. De Weser, die H. over 260 km. begrenst of doorloopt, neemt hier links de Emmer en de Aue, rechts de Aller, de Leine, de Ooertze, de Wümme, de Hamme en de Geeste op. De Ems ligt met haar geheele benedenloop (170 km. lang) in H.. en ontvangt hier links het water van de Haase en de Leda. Eindelijk wordt H. nog besproeid door de Hunte. Grootere meren zijn de Dümmersee en het Steinhudermeer.

Het vlakland bestaat uit diluviale en alluviale vormingen. De hooger gelegen heidestreken en geestlanden bestaan meest uit zandlagen. Tot de onvruchtbaarste streken behoort de Lüneburger heide. Vruchtbaar zijn de langs de groote rivieren en de kust gelegen, door dijken beschermde marschlanderijen. Tusschen Elbe en Weser en in Oost-Friesland liggen uitgestrekte venen, die zich in den regel aansluiten aan het marschland. In de zuidelijke, hooger gelegen deelen hebben leem en klei de overhand.

Het uiterste zuiden, in het bijzonder de Harz, is rijk aan delfstoffen en heeft een omvangrijken mijnbouw. In 1900 werden gewonnen: 620.604 ton steenkool, 699.633 ton ijzererts, 44.292 ton looderts, 25.772 ton kopererts, 222.787 ton ruw-ijzer, 11.963 ton lood, 34.941 kilogram zilver en 130.302 ton zoutproducten van allerlei aard

H. telde in 1900: 2.590.933 inw. (1.297.186 mannen, 1.293.753 vrouwen), in 113 steden <en 4015 landgemeenten. De sterkte der godsdienstige gezindten was in 1900: evangelischen 2.227.846, r.-kath. 338.906, israelieten 20.640 enz. De provincie is verdeeld in zes regeeringsdistricten: Hahnover, Hildesheim, Lüneburg, •Stade, Osnabrück en Aurich (zie die onderwerpen).

De hoofdmiddelen van bestaan zijn landbouw (bedreven op 33,2% der totale oppervlakte; voornamelijk rogge, verder haver, tarwe, gerst, peulvruchten, boekweit, beetwortelen enz.), hoschwezen, industrie (groot-industrie in het zuiden: ijzergieterijen, machinebouw, scheepmakerijen, glasblazerijen, chemische fabrieken, bietsuikerfabrieken, brouwerijen, stokerijen enz.) en handel. In 1900 bezat de provincie 2557 km. spoorlijn. H. heeft 39 zeehavens; de voornaamste havenplaatsen zijn Harburg, Geestemünde, Wilhelmshaven, Emden, Leer en Papenburg.

H. heeft een hoogeschool (te Göttingen, 1737 gesticht), 25 gymnasia (w.o. 21 evangelische, 3 r.-kath. en 1 paritetische), een academie voor het boschwezen te Münden, 5 pro-gymnasia, tal van inrichtingen voor middelbaar, hooger, vak- en landbouwonderwijs, 3 handelsscholen, een vee-artsenijschool in de hoofdstad, 3 kweekscholen voor vroedvrouwen, 13 kweekscholen voor onderwijzers en 4 voor onderwijzeressen, doofstommen-instituten te Emden, Hildesheim, Nienburg, Ebstorff, Osnabrück en Esens, een blinden-instituut te Hannover.

De administratieve indeeling der provincie en de organisatie van het zelfbestuur is door de wetten van 6 en 7 Mei 1884 nieuw geregeld. Beide wetten stemmen in de hoofdzaken overeen met de oudere wetgeving der oostelijke provinciën van Pruisen. Het hoogste rechtscollege der provincie is het Oberlandergerecht te Celle. De provincie is verdeeld in 19 rijksdags-kiesdistricten:

1. Weener-LeerEmden,
2. Aurich-Wittmund,
3. AschendorfMeppen,
4. Osnabrück-Iburg,
5. Grönenberg-Melle,
6. Verden-Hoya,
7. Nienburg-Stolzenau,
8. Hannover,
9. Hameln-Linden,
10. ildesheim,
11. Einbeck-Nordheim,
12. Göttingen-Münden,
13. Goslar-Herzberg,
14. Fallersleben-Gifhorn,
15. Lüchow-Helzen,
16. Lüneburg-Winsen,
17. Harburg-Buxtebude,
18. Stade-Bremervörde,
19. Otterndorf-Neuhaus.

De kern van het voormalige koninklijk H., het vorstendom Calenberg, maakte aanvankelijk deel uit van het hertogdom Brunswijk (zie ald.). Dit vorstendom Calenberg scheidde zich onder hertog Erik I (1495—1510) blijvend van de overige welfische landen af. Na den dood van Erik II (1584) kwam Calenberg met Göttingen aan de Wolfenbütteler linie, en door het deelingsverdrag van 14 Dec. 1635 aan hertog Georg, zoon van hertog Wilhelm, stichter der nieuwe Lüneburger (later keurvorstelijk-koninklijke) linie. Onder Ernst August (zie ald.), die in 1679 aan de regeering kwam, nam het aanzien van het welfische huis zeer toe. Hij voerde bij testament de primogenituur in, hetgeen in 1683 door den keizer werd bekrachtigd, doch in de familie van den hertog veel tegenstand vond. Ter belooning van de diensten, die hij den keizer in diens turksche rijksoorlogen bewezen had, en ook wijl hij dreigde anders zich met Frankrijk te vereenigen, werd hij 19 Dec. 1692 met de negende keur beleend.

Eerst zijn zoon echter, Georg Ludwig (zie George I van Groot Britannië), die hem in 1698 op volgde, kreeg zitting in het college van keurvorsten (Sept. 1708). Na den dood van koningin Anna (1714) besteeg de hannoversche keurvorst Georg Ludwig als Georg I den engelschen troon; in 1715 verwierf hij nog de sinds 1648 door Zweden bezeten, geseculariseerde bisdommen Bremen en Verden. Hij werd in 1727 opgevolgd door zijn zoon, George II (zie ald.), den stichter der hoogeschool te Göttingen (1734), die als bondgenoot van Maria Theresia op 27 Juni 1743 bij Dettingen den Franschen een veldslag leverde en daarin de overwinning bevocht, later echter, als bondgenoot van Frederik den Groote zijn stamland in den zevenjarigen oorlog betrok (slag bij Hartenbeck, 26 Juli 1757). Onder de regeering van George III (zie ald.), 1760— 1820, een geboren Engelschman, die zich weinig om zijn duitsche gewesten bekommerde, werd ten behoeve van het bestuur van H. te Londen een kanselarij opgericht, met een hannoversch minister aan het hoofd; feitelijk was het bestuur van het land evenwel in handen van den hannoverschen adel, die alle vreemde elementen buiten de hooge ambten wist te houden. In den oorlog tegen Frankrijk moest H. een hulpkorps leveren (1793—95). Toen de oorlog in 1803 opnieuw uitbrak, rukten de Franschen H. binnen; de hannoversche troepen kapituleerden te Sulingen en het land werd gedwongen een fransch legerkorps te onderhouden en enorme oorlogsbelastingen te betalen.

Bij verdrag van 15 Dec. 1805 stonden de Franschen H. aan Pruisen af. Na den vrede van Tilsit, waarbij 'Pruisen H. aan Frankrijk teruggaf, werd in 1807 een gedeelte en in 1810 ook de rest bij het koninkrijk Westfalen gevoegd, in hetzelfde jaar echter het noordelijk deel weer daarvan afgescheiden en met het keizerrijk Frankrijk vereenigd. 4 Nov. 1813 kwam het land weer onder zijn vroegere heeren. De hannoversche gezant, graaf van Münster, verkreeg op het Weener congres een belangrijke vergrooting van H., alsmede deszelfs verheffing tot koninkrijk. De hannoversche troepen namen in 1815 krachtig deel aan den slag bij Waterloo. 24 Oct. 1816 benoemde de prins-regent George IV (zie ald.) zijn broeder, den hertog van Cambridge, tot gouverneurgeneraal van H., het bestuur des lands bleef feitelijk in handen van graaf Münster, die elke progressieve ontwikkeling duurzaam verhinderde. De ontevredenheid over het gemis van burgerlijke vrijheid en over den zwaren belastingdruk, klom weldra tot een bedenkelijke hoogte. De troonsbestijging van Willem IV (1830) bracht in dezen toestand geenerlei verandering; integendeel braken in Jan. 1831 te Osterode en Göttingen woelingen uit, die wel harde straffen voor de leiders, doch tevens den val van graaf Münster en de benoeming van den hertog van Cambridge tot onderkoning van H. tengevolge hadden.

De vertegenwoordiging ontwierp een nieuwe grondwet, die na in Londen willekeurig te zijn gewijzigd, 26 Sept. 1833 werd afgekondigd. In Juni 1837 werd H. weer van Engeland gescheiden. Ernst August (zie ald.) kwam op den hannoverschen troon (20 Juni 1837). Deze vorst betoonde zich reeds onmiddellijk een kleingeestig despoot. Hij verdaagde onmiddellijk de vertegenwoordiging, benoemde den geheimraad Schele tot minister van staat en vaardigde 5 Juli 1837 een patent uit, waarin hij verklaarde de grondwet van 1833 niet te erkennen. 30 Oct. werd de vertegenwoordiging ontbonden en 1 Nov. de grondwet van 1833 ingetrokken, een volgens de kieswet van 1819 gekozen vertegenwoordiging zou een nieuwe grondwet ontwerppen; tot op de afkondiging daarvan zou de staatsregeling van 1819 van kracht blijven. Toen nu de regeering niet alleen van alle eigenlijke ambtenaren, maar ook van de rechtsgeleerden en hoogleeraren inzending van diensten huldigingsreversen verlangde, verklaarden zeven hoogleeraren van de hoogeschool te Göttingen (Dahlmann, Albrecht, de gebroeders Grimm, Gervinus, Ewald en Wilh.

Ed. Weber) in hun protest van 18 Nov. 1837, overtuigd te zijn van de onwettigheid van de intrekking der grondwet enz. 12 Dec. werden de „Göttinger zeven” zonder voorafgaand onderzoek of vorm van proces uit hun ambt ontzet; Dahlmann, Jacob Grimm en Gervinus werden daarenboven verbannen. In 1840 werd een nieuwe grondwet afgekondigd, die de rechten der vertegenwoording in de wezenlijke punten beperkte. De ontevredenheid nam hand over hand toe, vooral wegens de stuitende bevoorrechting van den adel. De Maartdagen van 1848 deden ook hier het oude stelsel ineenstorten; 17 Maart moest de koning vrijheid van drukpers toestaan, 20 Maart in terugkeer tot den constitutioneelen regeeringsvorm bewilligen en een der ijverigste verdedigers daarvan, Dr. Stüve, het vormen van een nieuw ministerie opdragen, waarin o. a.

Bennigsen en von Dühring zitting kregen. Langs grondwettigen weg werden wijzigingen aangebracht in de samenstelling der Kamers; 5 Sept. werd de nieuwe grondwet afgekondigd. 28 Oct. 1850 werd het ministerie-Stüve ontslagen; het ministerie van Münehhausen, dat in zijn plaats kwam, zette de aangevangen hervormingen op merkelijk verzwakte wijze voort. 7 Sept. 1851 sloot H. zich aan bij de Zollverein. 18 Nov. 1851 overl. Ernst August en in zijn plaats kwam zijn blinde zoon, George V (zie ald.). Deze riep onmiddellijk Schele aan het bewind, wiens pogingen om de grondwet van 1848 in reactionairen geest te wijzigen, schipbreuk leden op het verzet der Tweede Kamer (1853), waarop zijn ministerie ontslagen werd. Maar 31 Juli 1855 werd de vertegenwoordiging ontbonden en een uiterst reactionair ministerie samengesteld (Borries, graaf Platen, graaf Kielmannsegge, von der Decken, von Bothmen), dat de grondwet van 1848 introk en die van 1840 herstelde. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer werd kunstmatig een zeer meegaande meerderheid verkregen, en toen niettemin de oppositie niet volkomen gebroken bleek, werd de vertegenwoording onmiddellijk weer ontbonden en alles in het werk gesteld om een wetgevend lichaam zonder oppositie te verkrijgen, hetgeen vrijwel gelukte.

Nu werd de rechtspleging gedeeltelijk weer met het staatsbestuur vereenigd; de eed op de grondwet afgeschaft en alle staatsdienaren tot koninklijke beambten gemaakt, zoodat H. in een absolute monarchie veranderd was. De openbare meening was geheel op de hand van den jongen leider der minderheid in de Tweede Kamer, Rudolf von Bennigsen. De zichzelf sterk overschattende koning ging ten slotte zelfs zijn reactionairen ministers te ver; Borries werd in 1862 ontslagen, omdat hij niet kon voorkomen dat de bevolking openlijk ontevredenheid aan den dag legde over het voorgenomen opdwingen van een ouden catechismus uit de 17de eeuw. 10 Dec. ontsloeg de koning ook de overige ministers, uitgezonderd den plooibaren graaf Platen en den zich niet met politiek bemoeienden minister van oorlog, von Brandis. Het nieuwe ministerie (Malortie, Windthorst, Erxleben, von Hammerstein en Dr. Lichtenberg), beriep een synode, die de kerke'.ijl^e zaken regelde. Bij de verkiezingen van 1863, van regeeringswege niet beïnvloed, kreeg de liberale partij onmiddellijk weer de meerderheid in de Tweede Kamer.

De ministeries volgden elkander nu snel op; geen daarvan was in staat den toenemenden eigendunk en de wassende willekeur van den blinden monarch paal en perk te stellen. De verdere verscherping van de binnenlandsche kwesties werd echter weldra verhinderd door de spoedig alle aandacht vragende buitenlandsche aangelegenheden. Reeds in het voorjaar van 1866 scheen, wegens de sleesw.-holsteinsche en de bondsreformkwestie, een conflict tusschen Oostenrijk en Pruisen onvermijdelijk; het hannoversche hof speelde daarbij een zeer dubbelzinnige rol. In de Bondsdagzitting van 14 Juni stemde H. voor het oostenrijksche mobilisatie-voorsteï. Pruisen bood den hannoverschen koning 15 Juni garantie zijner souvereiniteit aan, op voorwaarde dat hij zich onzijdig zou houden. Op het afwijzend antwoord overschreden reeds den eerstvolgenden nacht pruisische troepen de hannoversche grens; 17 Juni trokken zij de hoofdstad binnen, terwijl een andere colonne, haar weg nemend over Marburg, onder Manteuffel Stade innam en daarop de hannoversche armee achterna ging, die zich over Heiligenstadt naar Eisenach wendde, teneinde zich hier met de Beieren te vereenigen.

Bij Langensalza kwam het tot een veldslag (27 Juni), waarin de Pruisen de nederlaag leden; de versterkingen, die zij echter reeds des anderen daags kregen, noopten de hannoversche armee om te kapituleeren; zij werd ontwapend naar haar haardsteden teruggezonden. Einde Juli besloot koning Wilhelm op aandrang van Bismarck tot de inlijving van H. bij Pruisen, hetgeen bij den vrede van Praag (23 Aug.) werd bekrachtigd. Koning Georg teekende vruchteloos hiertegen protest aan. Reeds op 1 Oct. 1867 trad de pruisische constitutie in werking. (Zie ook Cumberland.)

Literatuur: Ringklib, Statist. Handbuch der Provinz H. (6de dr., Hannov. 1897), J. Meyer, Die Provinz H. (2de dr., ald. 1888), Gemeindelexikon für die Provinz H. (Berl. 1897), Jänecke, Die Gewerbepolitik des ehemaligen Königreichs H. 1815—66 (Marb. 1892), Boysen, Statist. TJ eher sichten für die Provinz H. (Hannov.-Linden 1892), J. H. Müller, Vor- und frühgeschichtliche Altertümer der Provinz H. (Hannov. 1893), Staatshandbuch über die Provinz H. (ald. 1896), Brackebusch, Geolog.

Karte der Provinz H., 1: 500 000 (ald. 1899), Spittler, Geschichte des Kurfürstenthums H. seit der Beformation bis zu Ende des 17. Jahrh. (2 dln., Hannov. 1978), Havemann, Geschichte der Lande Braunschweig und Lüneburg (3 dln., Gött. 1853—57), Grotefend, Geschichte der allgem. landständiscfien Verfassung des Königreichs H., 1814—48 (Hannov. 1857), Oppermann, Zur Geschichte H.s von 1832 bis 1860 (2 dln., Lpz. 1860—62 en Berl. 1868), Schaumann, Handbuch der Geschichte der Lande H. und Braunschweig (Hannov. 1864), H.s letzte Tage, 1864—66 (m „Unsere Zeit”, 1867), Medmg, Memoiren zur Zeitgeschichte (3 dln., Lpz. 1881—84), Köcher, Geschichte von PL und Braunschweig, 1648—1714 (2 dln., ald. 1884— 96), von Heinemann, Geschichte von Braunschweig und H. (3 dln., Gotha 1884—92), Thimme, Die innern Zustände des Kurfürstenthums H. unter der franz.-westfäl. Herrschaft, 1806—13 (2 dln., Hannov. en Lpz. 1893—95), E. von Meier, Hannov. Verfassungs- und Verwaltungsgeschichte, 1680—1866 (2 dln., pz. 1898—99), von Hasseil, Das Kurfürstenthum H. vom Baseler Frieden bis zur preuss. Occupation 1806' (Hannov. 1894), dezelfde, Geschichte des Königreichs H. (1ste stuk, van 1813—48, Bremen 1898, 2de stuk Lpz. 1899—1901), dezelfde, Geschichte des Königreichs H., 1862— 66 (ald. 1901), C. Wolff, Die Kunstdenkmäler der Provinz H. (Hannov. 1900 v. v.).

2) Hannover, regeeringsdistrict der provincie H., grenst ten z. aan Brunswijk, ten w. aan Waldeck, Lippe-Detmold, Hessen, Schaumburg-Lippe en Westfalen, en ten n.w. aan Oldenburg. Het land is in het z. bergachtig (Hohe Egge, 441 meter, Höfeler, 403 meter), vruchtbaar en woudrijk, in het n.w. vlak met heidevelden en veengronden; het wordt bewaterd door de rivieren Leine, Weser, Aue en Hunte; de grond bevat steenkool, steenzoutlagen, bruikbare gesteenten, hier en daar zijn minerale bronnen voorhanden; hoofdmiddelen van bestaan zijn landbouw, veeteelt, nijverheid (in de steden). H. heeft een oppervlakte van 57169/io km.2 en telde in 1900: 647.908 inw. H. is verdeeld in 13 kreitsen: Diepholz, Syke, Hoya, Nienburg, Stolzenau, Sulingen, Neustadt am Rübenberge, Stadtkreis Hannover, Landkreis Hannover, Stadtkreis Linden, Landkreis Linden, Springe en Hameln.
3) Landkreits van het regeeringsdistrict H.
4) Hoofdstad der provincie en van het regeeringsdistrict H., tot 1866 hoofdstad .van het koninkrijk H., ligt onder 52° 22' N.B. en 9° 45' O.L. van Gr., in een vlakke landstreek, aan beide oevers van de hier bevaarbaar wordende Leine, die hier de Ihme opneemt; de stad heeft een omvang van 42 km.; de gemiddelde luchtdruk bedraagt ongeveer 756 millimeter, de temperatuur: maximum + 28.2°, minimum — 16°.
H. telde in 1848: 28.030, in 1871: 87.626, in 1890: 163.593, in 1900: 235.649 inw. Het aantal geboorten bedroeg in 1901: 7282r sterfgevallen 4132, huwelijksvoltrekkingen 2170. Rekent men bij het inwonerstal der gemeente H. nog dat van de omliggende, met H. in de nauwste economische betrekking staande' plaatsen, zoo verkrijgt men voor Groot-Hannover een bevolking van 302.054 zielen (in 1900).
H. bestaat uit een oude stad, omgeven door de Aegidien-Neustadt (sinds 1746 ontstaan), de Calenberger Neustadt, Georgstadt, Marienstadt (beide in 1859 met H. vereenigd), Ernst-August-Stadt, Kleefeld, en de in 1890’ met H. vereenigde dorpen List, Vahrenwald, Hainholz en Herrenhausen. *Aan gene zijde van de Ihme ligt de stad Linden (zie ald.). Ten o. der stad ligt het 662 hectare groote bosch Eilenriede, eigendom der stad. De door de rivier gescheiden wijken staan door 15 bruggen met elkander in gemeenschap. De Knochenhauer- en Schmiedestrasse, welke van de Markt af noordwaarts loopen, bevatten vele mooie laat-gotische gevels, terwijl de Georgstrasse, de Schiffgraben, de Hohenzollern- en andere nieuwere straten geheel een modern aanzien hebben. De hoofdstraten en de meeste pleinen bevatten fraaie plantsoenen, die H. tot een der mooiste grootsteden van het Duitsche rijk maken. Monumenten: tal van standbeelden van vorstelijke personen, verder een bronzen standbeeld van Luther (1900 onthuld, een ontwerp van Dopmeyer) op het Marktplein, in de Schmiedestrasse een standbeeld van Pastor Bödeker (van Dopmeyer, 1880), op het Waterlooplein een 47 meter hooge Waterloozuil (1826—32 opgericht), een standbeeld van generaal Alten (1849), den aanvoerder der Hannoveranen in den slag bij Waterloo, en een gedenkteeken voor Leibniz; op de Theaterplatz monumenten voor den componist Marschner (1877), den technoloog Karmarsch, en voor den chirurg Stromeyer (1883), in het plantsoen van de Friedrichstrasse een fontein met standbeeld van Gutenberg, op de Goseriede het uit artistiek oogpunt voornaamste monument der stad, de vermaarde Gansenmadchenbrunnen, een fonteinbouw van Dopmeyer; nevens de Nikolaikapel, het oudste godshuis der stad, den Denkmalshof, bestemd tot opstelling van de talrijke grafgesteenten der laat-renaissance uit de omgeving, en met een monument voor Hölty; nabij de ulanenkazerne eindelijk een monument voor den ruitergeneraal von Rosenberg (1902 onthuld). H. heeft 20 kerken en 4 kapellen (17 luthersche, 3 r.-kath., enz.); de oudste kerk der stad is de Marktkirche (14de eeuw), met grafteekens uit de 16de en 17de eeuw aan de buitenzijde, en fraai glasschilderwerk, benevens een gesneden altaar van Hurtzig; de gotische Aegidienkirche (14de eeuw) heeft een renaissancetoren, de in 1864 door Hase voltooide Christuskerk prachtvolle glasschilderingen. Meerdere kerken zijn in aanbouw. Onder de wereldlijke bouwwerken van H. moeten vermeld: het koninklijk residentieslot, 1636—40 gebouwd, in de 19de eeuw geheel verbouwd, en met een mooie colonnade, die uitkomt op de Leinstrasse; verder het z.g. oude paleis, vroeger residentie der gouverneurs van H.; het oude raadhuis, in 1439 begonnen en in 1455 voltooid, de groote feestzaal bevat muurschilderingen van Schaper; de koninklijke schouwburg (1845—52 gebouwd), het tuighuis, het tegenwoordige stadhuis, vroeger paleis van George V, de krijgsschool, het nieuwe gemeentelijk ziekenhuis, het Kestnermuseum, het post- en telegraafkantoor (1878—81 in renaissancestijl gebouwd), het paleis van justitie, het gebouw der Hannoversche bank (1901 voltooid, in vroegrenaissance, van Börgemann), de rijksbank (1896) en het door prof. Stier in ital. renaissance opgetrokken, in 1902 geopende provinciaal museum in het Marschpark, naast het in aanbouw zijnde nieuwe stadhuis.

De stad wordt bestuurd door een stadsdirecteur, een stadssyndicus, 7 bezoldigde senatoren en een gemeenteraad van 24 leden (Bürgervorsteher); H. heeft waterleiding, met reservoirs te Linden, een electriciteitswerk, abattoir. De begrooting voor het dienstjaar 1901—02 sloot met inkomsten: 8.356.139 mark, uitgaven 8.447.148 mark. H. is zetel van het opperpresidium der provincie H., van het koninklijk districtsbestuur, van de hoogste rechtscolleges der provincie, van het luthersch landsconsistorie, kamer van koophandel, kamer van arbeid. Inrichtingen van onderwijs: een technische hoogeschool, 1831 als hoogere ambachtsschool gesticht (1901: 59 docenten, 35 assistenten, 1471 studeerenden), de veeartsenijschool, 1778 gesticht, een luthersch lyceum I, reeds 1276 als kath. school vermeld, sinds 1348 stedelijk, een stedelijk luthersch lyceum II, 1871 geopend, een gymnasium, 1875 geopend, een stedelijke handelsschool, een gymnasium voor meisjes (gesticht door de vereeniging Frauenbildungsreform), meerdere kweekscholen voor onderwijzers (rijks-, gemeentelijk en israëlietisch), krijgsschool, kweekschool voor vroedvrouwen, blindeninstituut enz. Verzamelingen: de koninklijke en provinciale bibliotheek, gemeenschappelijk eigendom van den hertog van Cumberland, den pruisischen staat en de provincie H., ruim 200.000 banden, 3500 handschriften (waaronder vele van Leibniz), verder het Weifenmuseum (een verzameling van in het land gevonden oudheden), de permanente tentoonstelling van kunst en kunstnijverheid, de kunstsalon (inzendingen van modern schilderwerk), het provinciaal en het Kestnermuseum. In 1902 verschenen te H. 11 politieke bladen, w.o. de welfische ,,Deutsche Zeitung”, de nationaal-liberale „Hannoversche Courier” (in 1872 ontstaan door samensmelting van drie bladen, thans een tweemaal daags verschijnend blad met een oplage van 13.000 exempl.), de konservatieve „Hannoverschen Tagesnachrichten” en de sociaal-demokratische „Volkswille”.

H. is, sedert het onder de regeering van Ernst August het centrum van het nedersaksische spoorwegstelsel werd, een voorname fabrieksstad geworden; met Linden vormt het een industrieel centrum; grootere etablissementen te H. zijn: meerdere fabrieken van kantoorboeken, een wasdoekfabriek, machinefabrieken, ijzergieterijen, fabrieken van materialen voor ijzeren bruggen, verder fabrieken van chemicaliën, verfstoffen, tapijten, verlakte waren, lampen enz. De handel, voornamelijk producten- en expeditiehandel, is in den nieuwsten tijd door de vele spoorwegverbindingen van groote beteekenis geworden. De leermarkten van H. worden druk bezocht. Het depot van de Rijksbank zette in 1901: 25461/4 millioen mark om. H. ligt aan verscheidene spoorwegen: het centraalstation ligt in het midden der stad; hier komen samen de lijnen H.—Stendal—Berlijn (263 km.), H.—Cassel (166 km.), H.—Altenbeken (111 km.), H.—Osnabrück—Rheine (180 km.), H.—Keulen (326 km.), H.—Geestemünde (184 km.), H.—Hamburg (180 km.). Andere lijnen en stoomtrams verzorgen het buurtverkeer en de stad heeft een uitgebreid net van electrische tramwegen.
H., wellicht in den heidenschen tijd ontstaan als een nederzetting van visschers aan den „hoogen oever” (waarin misschien de oorsprong van den naam moet worden gezien) der Leine, wordt als dorp het eerst vermeld op het midden der 11de eeuw; het viel in 1203 bij de verdeeling der welfische landen onder Méline (1896—98) andermaal beheerde, ten deel aan paltzgraaf Hendrik, en werd door deze in 1223 met al zijn overige erflanden afgestaan aan zijn neef Otto het Kind, den stichter der 'oudere brunswijksche linie. 26 Juni 1241 kreeg het van hertog Otto belangrijke privileges. In 1369 kwam H. bij het gebied van Brunswijk, waarvan toenmaals Magnus Torquatus hertog was. H. werd wel opgenomen in het Hanzeverbond, doch nam daarin een zeer bescheiden plaats in. Bij de verdeeling des lands van 1495 viel de stad H. ten deel aan hertog Erik den Oudere; onder dezen vorst deed in 1534 de hervorming haar intrede in H. In 1636 verlegde hertog Georg de residentie van Celle naar H., waar zij tot 1714 bleef, in welk jaar keurvorst George van H. den troon van Groot-Britannië besteeg. Toen in 1837 de unie met Engeland werd losgemaakt, werd H. weer residentie der vorsten van het land. In den duitschen oorlog van 1866 werd de stad 17 Juni door Pruisen bezet (zie boven) en is sedert hoofdstad der provincie H.