Gepubliceerd op 18-03-2021

Pruisen

betekenis & definitie

koninkrijk, de grootste en de leidende bondsstaat van het duitsche rijk, 348.437 km.2 gr., vormt het hoofdgedeelte van de noordduitsche laagvlakte (zie Duitschland); de bodem is meest zandig, hier en daar zeer vruchtbaar, en bestaat elders uit heide-, veenen marschland (Hannover, Sleeswijk-Holstein). Het zuidelijk gedeelte behoort tot de noordduitsche berglandzone (in Silezië het Reuzengebergte, het Glatzer- en Lausitzergebergte, in Saksen de Harz en deelen van het Thuringerwoud, in Hessen-Nassau vertakkingen van het Rhöngebergte en den Spessart, Taunus, in Westfalen en de Rijnprovincie het Rijnschwestfaalsche Schiefergebergte).

De kust is 1654 km. lang, telt vele bochten en baaien (Dollard, golf van Jade, baaien van Kiel, Eckernförde, Flensburg, enz.) en bevat uitgestrekte strandmeren (Kurische, Frische, Groote en Kleine Haff). Hoofdrivieren: Memel, Pregel, Weichsel, Oder, Elbe (met Havel en Saaie), Weser, Ems, Rijn, Moezel (Mosel), Eider; talrijke kanalen; meren vooral in de n.o. provinciën en in Hannover. Klimaat over het geheel gematigd en gezond.De bevolking, in 1900: 34.472.437 zielen sterk, was genoemd jaar over de provinciën van P. verdeeld als volgt: