Gepubliceerd op 23-02-2021

Hildesheim

betekenis & definitie

1) Regeeringsdistrict der pruisische provincie Hannover, door Brunswijk in een noordelijk en een zuidelijk deel gescheiden (zie Hannover), omvat o. a. de voormalige vorstendommen H., Göttingen en Grubenhagen, en de vrije rijksstad Goslar, en is een bergachtige, woudrijke landstreek, bewaterd door de Leine, Oker, Innerste, Rhume, Werra en Fulda; oppervlakte 53521/i km.2, met in 1900: 526.758 inw. 30 steden (met tezamen 205.728 inw.) en 602 plattelandsgemeenten. Het regeeringsdistrict is verdeeld in de 17 kreitsen Peine, stadskreits H., landkreits H., Marienburg in Hannover, Gronau, Alfeld (1900: 25.819 inw.), Goslar, Osterode, Duderstadt, stadskreits Göttingen, landkreits Göttingen, Münden, Uslar, Einbeck, Northeim, Zellerfeld en Ilfeld.

2) Hoofdstad van het regeeringsdistrict H., 32 km. z.o. van Hannover, aan de rivier Innerste en aan de spoorlijnen H.—Brunswijk (42 km.), Goslar—Löhne en Hannover—Lehrte —H. (41 km.), ten deele nog omgeven door hooge wallen; zij telde in 1900: 42.973 inw., w.o. ruim 14000 r.-kath. en ruim 600 israëlieten. H., een der hoofdzetels van de romaansche kunst, van de duitsche laatgotiek en van de renaissance, heeft vele grootsche bouwwerken, w.o. een domkerk (kruisvormige basiliek, 11de eeuw). Er zijn ijzergieterijen, dril- en katoenweverijen, klokgieterij, suikerraffinaderijen, sigarenfabrieken, brouwerijen, mouterijen, fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen enz.; de stad drijft een uitgebreiden handel in graan, wol, garen, lijnwaad, leer en bouwmaterialen.

Lodewijk de Vrome verplaatste in 818 den zetel van het bisdom H„ door Karel den Groote opgericht en te Elze gevestigd, naar H. In de frankische keizersperiode bloeide het hoogsticht H. zeer en breidde zijn gebied uit, niettegenstaande de bisschoppen met de Saksische vorsten, met Hendrik den Leeuw en anderen hevig te strijden hadden, totdat in 1519 de z.g. Hildesheimsche stichtsveete uitbrak, ten gevolge van welke in 1523 het grootste deel der stichtslanden aan de hertogen van Brunswijk moest worden afgestaan. Aan bisschop Ferdinand, hertog van Beieren en metropolitaan te Keulen, gelukte het in 1643, onder de bescherming der keizerlijke wapenen, een deel der vroegere bezittingen terug te krijgen, het grootste deel der inwoners was intusschen tot het protestantisme overgegaan. In 1803 kwam het aan Pruisen, werd in 1807 bij het koninkrijk Westfalen ingelijfd en in 1813 door Hannover in bezit genomen, waarmee het in 1866 aan Pruisen kwam.