Gepubliceerd op 28-02-2021

Oost-friesland

betekenis & definitie

voormalig duitsch vorstendom, ligt in den n.-westl. hoek van Duitschland en.wordt door de Noordzee, Nederland, Meppen en Oldenburg begrensd. O. ligt vlak en laag, zoodat het door dijken tegen de Noordzee moet beschermd worden.

Langs de kusten vindt men een zeer vruchtbaren grond. Bevaarbare rivieren zijn de Ems en de Leda, waarvan de eerste in den Dollard uitloopt. Bosschen vindt men er weinig. De hoofdtakken v. bestaan zijn landbouw, veeteelt en zeevaart; de hoofdprod. bestaan in paarden, rundvee, ganzen, graan en turf. Zeesteden zijn Emden, Leer, Norden; binnensteden: Aurich en Esens. Langs de kust bevinden zich meerdere eilanden, waaronder Borkum en Norderney.

In 1744 kwam O. aan Pruisen. In 1806 werd het bij het koninkrijk Holland, in 1810 bij het Fransche keizerrijk ingelijfd. Door Pruisen in 1815 aan Hannover afgestaan, kwam het in 1866 aan eerstgenoemd land terug.