Gepubliceerd op 23-02-2021

Keurvorsten

betekenis & definitie

in het vroegere duitsche rijk de vorsten die het recht hadden den keizer of koning te kiezen. Onder de Karolingen was de duitsche kroon erfelijk.

Na hun aftreden werd door den vereenigden heerenstand besloten voortaan het staatshoofd te kiezen. De gouden bul van Karel IV in 1356 regelde deze schikking nader en gaf aan zeven der voornaamste kerkelijke en wereldlijke vorsten het kiesrecht of de keurwaardigheid voor de keizerskeuze, n.l. aan de aartsbisschoppen van Trier, Mainz en Keulen, den paltzgraaf aan den Rijn, den hertog van Saksen, den markgraaf van Brandenburg en den koning van Bohemen (welke laatste echter van 1400—1708 zijn keurrecht nimmer uitoefende). Dit getal bleef tot op den westfälischen vrede onveranderd. Bij dien vrede werd voor den Paltz, welks kiesrecht gedurende den Dertigjarigen oorlog op Beieren was overgegaan, een achtste keurwaardigheid ingesteld, die echter in het jaar 1777 met de beiersche samensmolt. In 1692 werd ook Brunswijk-Luneburg tot keurvorstendom verheven, doch eerst in 1710 in het keurcollege opgenomen. De K. waren volgens de gouden bul de vertrouwdste raadslieden des keizers, de zeven lichten en zuilen van het heilige rijk, leden van het keizerlijke lichaam.

Zij konden den keizer ook ongeroepen raad geven en hem namens het college sommige belangen bijzonder aanbevelen, zij ontwierpen de z.g. kiescapitülatie, vormden op de rijksdagen een afzonderlijk college en genoten koninklijke eer, het recht der derde instantie, vrijdom van de competentie van het rijksgericht, en werden op hun 18de jaar meerderjarig. Hun keurlanden waren onverdeelbaar. De keurvorst van Mainz was aartskanselier in Duitschland en sedert de hervorming directeur van het Corpus Catholieorum. De keurvorst van Trier was aartskanselier in Gallië en Arelatum, die van Keulen in Italië en kroonde den keizer, zoo de kroning te Aken of elders in zijn kerkgebied plaats had, gelijk die van Mainz de kroning in zijn gebied volbracht. De keurvorst van Bohemen was aartsschenker; die van den Paltz aartshofmeester en bij vacature van den keizerlijken troon vicarius in Franken, Beieren, Zwaben en aan den Rijn; die van Saksen oefende als aartsmaarschalk de politie bij den rijksdag en de kiesvergaderingen uit, was rijksvicarius in de landen van het Saksische recht en directeur van het Corpus Evangelicorum; die van Brandenburg was aartskamerheer en die van Brunswijk aartsschatmeester. Deze toestand veranderde geheel na den vrede van Lunéville (1801).

Na velerlei onderhandelingen bleef in 1803 de keurvorst van Mainz als de eenige geestelijke keurvorst, met den titel van keurvorst-aartskanselier, bestaan, terwijl bij de wereldlijke vier nieuwe K. (van Baden, Württemberg, HessenKassel en Salzburg) gevoegd werden; voor Salzburg trad in 1805 Wurzburg in de plaats. Met de oplossing van het Duitsche rijk in 1806 hield de keurvorstelijke waardigheid op; de meeste K. namen andere titels aan; alleen in Trier en Keur-Hessen bleef de titel van K. bestaan; de eerste tot in 1812. In 1866 verdween het laatste overblijfsel der K., toen Frederik Wilhelm I, keurvorst van Hessen, zijn land aan Pruisen moest afstaan.