Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZOON

betekenis & definitie

ZOON, m. (-s, zonen), kind van het mannelijk geslacht: vrouw B beviel Zondag van een welgeschapen zoon; volwassen, getrouwde zoons; (fig.) de verloren zoon, eene bijbelsche gelijkenis;

— mannelijk persoon die tot anderen in de verhouding van een zoon staat: iem. als zoon aannemen; schoonzoon, pleegzoon, stiefzoon, peetzoon;
— afstammeling; Christus was de zoon van David; de Zoon des Menschen, Jezus Christus;
— de zoon van Hadramant, Arabier;
— volgeling, leerling: de zonen van Apollo, de dichters; de zonen van Mars, de krijgslieden;
— naam waarmede bejaarde menschen jonge personen aanspreken ; mijn zoon, wat wilt gij? ZOONTJE, o. (-s), kleine zoon;
— zoontje spelen, zie ZEUNTJE.