Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZEUNTJE

betekenis & definitie

ZEUNTJE, o. (-s), (zeew.) de jongste van het schip (de oudsten heeten paai); degene die het eten haalt en na het maal het scheepsgerij in den bak moet schoonmaken, ook bakzeuntje genoemd.