Wat is de betekenis van Zoon?

2020
2022-07-07
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

zoon

mannelijk kind van iemand. mannelijk kind van iemand. Voorbeelden: Op dit ogenblik is de situatie zo dat verweerster, aanlegster op tegeneis wellicht gezien het verblijf en de domiciliëring bij de moeder de volledige toekenning van het kindergeld zal worden toegekend. Dat is op het ogenblik voor beide kinderen samen inbegrepen h...

Lees verder
2019
2022-07-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Zoon

Zoon - Zelfstandignaamwoord 1. aanduiding van Jezus Christus als een van de drie Personen van de god van het christendom

Lees verder
2018
2022-07-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zoon

zoon - zelfstandig naamwoord 1. mannelijk kind van iemand ♢ mijn ouders hebben een zoon en een dochter 1. hij is een echte zoon van zijn vader [lijkt erg op zijn vader] 2. van v...

Lees verder
2000
2022-07-07
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Zoon

De verloren zoon, de zoon in de gelijkenis die na lange tijd weggeweest te zijn weer thuiskomt; (fig.) iemand die na lang wegblijven weer ergens opduikt of na lange tijd een ‘verkeerd’ leven geleid te hebben weer op het rechte pad is. Iemand inhalen als de verloren zoon, iemand groots verwelkomen na lange afwezigheid. De verloren zoon is een uitdr...

Lees verder
1990
2022-07-07
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

zoon

zoon - Mannelijk nageslacht.

1952
2022-07-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zoon

s., soan, pl. soannen; jonge.

1950
2022-07-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zoon

m. (-s, zonen), 1. kind van het mannelijk geslacht : mevrouw B. beviel Zondag van een welgeschapen zoon ; — zulk een kind in betrekking tot zijn vader of moeder: haar oudste zoon ; hij is enige zoon; volwassen, getrouwde zoons; — hij is de zoon van zijn vader, aardt naar zijn vader ; — de zoon van mijn (zijn)...

Lees verder
1937
2022-07-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zoon

m. zonen of zoons, zoontje (1 jongen, knaap, met betrekking tot de ouders; kind van het mannelijk geslacht; 2 afstammeling; 3 volgeling; leerling): 1 Filips II, de zoon van Karel V; vijf meisjes en geen zoon; de énige zoon; als aanspr. verg. Vader: mijn zoon, wees bedaard; de Zoon des mensen, Christus; hij is de zoon van zijn vader, verlooch...

Lees verder
1898
2022-07-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZOON

ZOON, m. (-s, zonen), kind van het mannelijk geslacht: vrouw B beviel Zondag van een welgeschapen zoon; volwassen, getrouwde zoons; (fig.) de verloren zoon, eene bijbelsche gelijkenis; — mannelijk persoon die tot anderen in de verhouding van een zoon staat: iem. als zoon aannemen; schoonzoon, pleegzoon, stiefzoon, peetzoon; — afstammel...

Lees verder