Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Mannelijk

betekenis & definitie

MANNELIJK, MANLIJK, bn. bw. tot den man, tot het mannelijk geslacht behoorende: het mannelijk lid; de mannelijke geslachtsdeelen; een mannelijk persoon; mannelijke erfgenamen; de mannelijke linie van dit geslacht is uitgestorven;

— een mx nnélijk leen, waarin alleen mannen mochten opvolgen;
— (plantk.) eene mannelijke bloem, die alleen meeldraden en geen stampers heeft;
— (taalk.) het mannelijk geslacht; een mannelijke uitgang;
— (dicht.) een minnelijk rijm, staand rijm, zie aldaar;
— als van een man eene mannelijke stem; een mannelijk gelaat; mannelijke kleeding;
— in tegenstelling met kinderlijk: de mannelijke leeftijd;
flink, krachtig, moedig, dapper, zooals het een man betaamt: zich mannelijk gedragen; mannelijk handelen; eene mannelijke ziel. MANNELIJKHEID, MANLIJKHEID, v. mannelijke ouderdom; mannenkracht, voorttelende kracht; mannelijk teellid; dapperheid; eigenschap van een flink man. ,