Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wild

betekenis & definitie

Het begrip wild heeft 3 verschillende betekenissen:

1. wild - WILD, bn. bw. (-er, -st), in den ruwen natuurstaat, niet veredeld : wilde rozen; wilde appelboomen;
— niet tam : wilde eenden, konijnen ;
— inz. bloeddorstig : de wilde dieren;
onstuimig, schuw : het paard wordt wild; een hond wild maken;
— dartel : een wilde hengst;
— het wilde beest, de gnoe ;
— onbeschaafd: de wilde volken;
— woest, ruw : een wilde jongen ; wild te werk gaan; wild om zich heen zien, woest, onstuimig;
— het was er een wild geschreeuw, woest door elkander;
— wilde hartstochten, onbeteugeld;
— loszinnig, onbedachtzaam: eene wilde meid;
— de wilde haren zitten er nog in, hij is nog onbedachtzaam en dartel;
— onbebouwd: wilde streken;
— (geneesk.) wild vleesch, bleekrood vleeschheuveltje dat op ontvelde plekken en in wonden en zweren dikwijls opkomt. WILDHEID, v.

2. wild - WILD, o. wildheid, wilde staat, natuurtoestand : die bloemen groeien in het wild, worden niet gekweekt, (ook) groeien ongeregeld, verward dooreen ; die dieren leven er in het wild, worden er niet door de menschen verzorgd;
— zijne kinderen in het wild laten opgroeien, ze geene opvoeding geven, zonder toezicht laten ;
— (fig.) op het wild slaan, het in het wild slaan, losbandig, ongeregeld gaan leven ; alles loopt er in het wild, alles gaat er verward, ongeregeld toe, zijne zaken gaan achteruit;
— in het wild slaan, schieten, zonder toe te zien in welke richting ;
— hij redeneert in het wild, praat er maar op los.

3. wild - WILD, o. wat op de jacht geschoten wordt (vogels, hazen, herten enz.); rood wild, herten, reeën ; zwart wild, wilde zwijnen; klein wild, hazen, gevogelte ; grof wild, herten, beren enz.