Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Hond

betekenis & definitie

Het begrip hond heeft 2 verschillende betekenissen:

1. hond - HOND m. (-en), (nat. hist.) een geslacht van vleeschetende zoogdieren (canis), waartoe o. a. ook de wolf, de vos en de jakhals behoren;
— (inz.) het bekende huisdier (canis familiaris), de tamme hond, waarvan tal van rassen bestaan: de jager met zijn hond; een trouwe hond; kleine Jan loopt mij achterna als een hondje; zoo dartel als een jonge hond;
— zoo moe zijn als een hond, uitgeput van vermoeienis zijn;
— hij is zoo ziek als een hond, door en door ziek;
— behandeld worden als een hond, met minachting, slecht;
— (R.-K.) sterven als een hond, buiten de kerk;
— ’t is weer om er geen hond uit te jagen, heel slecht weer;
— een standje krijgen, waar de honden geen brood van zouden eten, een ongezouten, geducht standje;
— commandeer je hond en blaf zelf, ge hebt mij niets te bevelen;
— als men een hond wil slaan, kan men licht een stok (of knuppel) vinden, men kan altijd wel voorwendsels vinden wanneer men iem. kwaad wil doen;
— men moet geen slapende honden wakker maken, men moet niet de aandacht vestigen op iets, waarvan men onaangename gevolgen kan ondervinden;
— doode honden bijten niet (al zien ze leelijk), die dood is kan geen kwaad meer doen;
— blaffende honden bijten niet, van hen die dreigen heeft men zelden iets te vreezen;
— als twee honden vechten om een been, loopt een derde er mee heen, wanneer twee personen om iets twisten, raakt vaak een derde in het bezit er van;
— met onwillige honden is het kwaad hazen vangen; veel honden zijn der hazen dood, zie HAAS;
twee kwade honden bijten elkander niet, ’t is dief en diefjesmaat, zij zijn aan elkander gewaagd;
— zij leven te zamen als kat en hond, zij twisten altijd;
— een bloode hond wordt zelden vet, wie al te beschroomd is, vaart daar zelden goed bij;
hij is bekend als de bonte hond (mei den blauwen staart), is overal bekend;
— het bekomt hem als den hond de worst (of de knuppel na het stelen van de worst), het bekomt hem slecht;
— (Zuidn.) ontvangen worden gelijk een hond in een kegelspel, zeer slecht;
— den hond in den pot vinden, komen als het eten op is;
— (Z. A.) iem. een kind hond maken, stiefmoederlijk behandelen, over het hoofd zien;
— van het hondje gebeten zijn, hoogmoedig zijn;
— (Zuidn.) van den stoker (of den brouwer) zijnen hond gebeten zijn, gaarne sterken drank of bier drinken;
— daar zijn meer hondjes die blom heeten, gezegd als men iem. verkeerdelijk beschuldigt;
— komt men over den hond, dan komt men ook over den staart, als men de groote moeilijkheid te boven is, dan overwint men ook de andere, of, stapt men over het hoofdbezwaar heen, dan kan men licht kleinigheden toegeven (sommigen denken hierbij aan de Hont of Wester-Schelde);

— stomme hond, stommeling;
— ongeloovige hond, naam door de Mohammedanen aan de Christenen gegeven;
— gierige hond, gierigaard;
— (gew.) die van den hond gebeten is, moet van hetzelfde haar daar op leggen (of haar van denzelfden hond op iets leggen), (fig.) de gevolgen der dronkenschap moet men door drank zien te verdrijven;
— het is een wrange hond, zei de boer, en hij dronk bij vergissing een flesch wijnazijn voor rijnwijn leeg;
— op den hond zijn, (van personen) geheel aan lagerwal zijn: hij is hoe langer hoe meer achteruit gegaan, maar nu is hij geheel op den hond;
— het is in den hond, het is verwaarloosd, naar de maan: als de kinderen zelf baas zijn over het speelgoed, is de boel gauw in den hond;
— zijn goed in den hond dragen, een kleedingstuk door blijven dragen, hoewel het herstelling behoeft, zoodat het later niet meer te repareeren is;
— het ziet er uit, alsof het uit een hond zijn aars is gehaald, gezegd van iets dat er verfrommeld, oud en verfomfaaid uitziet;
— (Zuidn.) een neus hebben gelijk een hond, een hondeneus hebben, alles gemakkelijk te weten komen;
— op iets staan te kijken als een hond op eene zieke koe, zeer dom toezien;
— (plat) hond noch stront (of beest zeggen), heengaan zonder iem. te groeten;
— weten waar de hond gebonden ligt, hoe het met eene zaak gesteld is;
— de hond zit hem op zijn tasch, hij is gierig;
— (Zuidn.) zijn hond loslaten, zijn geld voor den dag halen;
— (Zuidn.) hij heeft een dikken hond op zijde liggen, eene goed voorziene beurs met geld;
— daar ligt de hond begraven, daar schuilt de moeilijkheid, daar zit hem de knoop;
— (fig.) een hondje, gezegd van alles wat klein en lief is: mijn hondje!, lief kind; wat een hondje van een kind, van een armband, enz.;
— een (gemeene) hond van een kerel, ’t is een ware hond, een verachtelijk, vuilaardig mensch;
— (sterr.) de Groote en de Kleine Hond, benaming van twee sterrenbeelden;
— (nat. hist.) de vliegende hond, soort van vleermuizen (in Afrika, O.-Indië, Australië), zie KALONG;
— de roode hond, zekere huidziekte, waarbij het geheele lichaam met roode plekken en bultjes bedekt is, minder erg als roodvonk; (ook) huiduitslag der Europeanen in heete gewesten;
— (wev., aan een Jacquard-machine) een ijzeren haak of arm, waardoor een schijfloop in beweging wordt gebracht ten einde de patroonkaarten voor den weefstoel naar volgorde m werking te brengen;
— (bij den bergbouw) soort van kleinen wagen of bak op vier wielen, tot vervoer van uitgegraven steenmassa ’s.

2. hond - HOND o. zekere landmaat, ter grootte van 100 ▢ roeden: zes hond is een Rijnlandsche morgen.