Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WIL

betekenis & definitie

WIL, m. het vermogen om met volle bewustheid pogingen te doen tot het verrichten eener handeling op grond van inwendige overwegingen ;

— een sterke wil, als de eenmaal voorgenomen handelingen met kracht worden beproefd, ondanks nieuwe prikkels in tegengestelden zin ;
— een vrije wil, wanneer die in geen enkel opzicht gedwongen is : het was zijn vrije wil, zijn eigen verlangen ; heeft de mensch een vrijen wil ?;
— de wil wordt bepaald door het zedelijk bewustzijn en de omstandigheden; niets zonder Gods wil, zich aan iemands wil onderwerpen; een wil uiten, te kennen geven ; willen is kunnen, als men ergens ernstig naar streeft, gelukt het meestal;
— met den besten wil van de wereld kan ik niet komen, hoe gaarne ik ook wilde ;
— neem den goeden wil voor de daad ;
— ik ben geheel tot uw wil, doe met mij wat u goeddunkt, wat gij wilt;
— iem. te(r) wille zijn, hem zijn zin geven ;
— een meisje tot zijn wil zien te krijgen, haar trachten te verleiden ;
— uiterste wil, beschikking waaraan moet voldaan worden na het overlijden van dengene die ze maakt, testament ;
— toestemming : het geschiedde met, buiten zijn wil;
— tegen wil en dank, met tegenzin, gedwongen ;
— om bestwil, ten goede, ter voorkoming van geschil of twist;
— om Godswil, uit liefde tot God ;
— om uwentwille, om u aangenaam te zijn, (ook) in uw belang;
— genoegen, genot: ergens wil van hebben; van die jas heb ik veel wil, die houdt zich goed, kan ik lang, veel dragen ;
— de kinderen hebben er vandaag terdege wil van gehad, hebben veel plezier gehad ;
— (spr.) om den wille van de smeer, likt de kat den kandeleer, zie SMEER. WILLETJE, o. (-s).