Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onstuimig

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), woest, in heftige beweging verkerende: wanneer Neptunus het hoofd uit de onstuimige golven opstak;

wild, buiig, stormig: onstuimig weer; een onstuimige wind;
— (fig.) heftig, hartstochtelijk: met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het hart; de liefde, zegt men, is onstuimig, onrustig, driftig, ongelijk aan zichzelf; een onstuimige polsslag;
— wild, woest: een onstuimig ros;
— bw. heftig : bij zang en dans, dat hart en brein onstuimig gist. ONSTUIMIGHEID, v.