Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SCHUW

betekenis & definitie

SCHUW - bn. bw. (-er, -st), de nabijheid van iets vreezende: lichtschuw, menschenschuw; inz. de nabijheid der menschen vreezende: schuwe dieren ; de haas is erg schuw ;

— het kind is schuw, bang voor vreemden;
— een schuw man, beschroomd, verlegen ;
— schuw rondzien, angstig, vol vrees; schuwe deugd;
— schichtig, schrikachtig: het paard is schuw geworden. SCHUWHEID, v. angst, vrees.