Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Straat

betekenis & definitie

Straat - v. (straten), gebaande weg, inz. de geplaveide weg tusschen de rijen huizen in steden of dorpen: nauwe, breede, oude straten; drukke, stille straten;

— op straat, in de open lucht, in het openbaar : op ’s heeren straten (eig. op de heerstraat), op den openbaren weg;
— (spr.) men moet straten voor stegen kennen, men moet weten tot wien men zich wendt, met wien men spreekt;
— iem. op straat zetten, uit zijn huis zetten, (ook) hem van zijne verdiensten berooven ;
— dubbele lange rij huizen, door een geplaveiden weg van elkander gescheiden;
— (aardr.) zeeëngte : de. straat van Gibraltar. STRAATJE, o. (-s), kleine straat, steeg.