Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Vier

betekenis & definitie

Het begrip vier heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vier - VIER - telw, hoofd- of grondgetal: drie plus één ; tweemaal twee is vier; de vier hemelstreken; iem. onder vier oogen iets zeggen, waarbij geene anderen tegenwoordig zijn; (muz.) een stuk voor vier handen, die door 2 personen op orgel of piano moeten gespeeld worden; zij gingen vier aan vier, bij groepjes van vier; met de vier rijden, met een vierspan;
— ’t heeft de waarde van een ranggetal in : hoofdstuk vier; vier Juni; het is vier uur; (gemeenz.) hij is er een van de vuile vier, van het vierde regiment infanterie;
— VIEREN (het telw. VIER beschouwd als een zelfstandig gebruikt bn. in ’t meerv.) vier personen : vrij waren met ons vieren; verdeel dit onder u vieren,
— vier deelen van hetzelfde geheel: iets in vieren verdeelen;
— vier uren : het is bij, over vieren;
— vier achtereenvolgende malen : hij deed het in vieren.

2. vier - VIER - v. (-en), het cijfer 4: dat is eene mooie vier; eene Romeinsche vier (IV);
— zijde van een dobbelsteen waarop vier oogen staan : hij wierp twee vieren;
— dominosteen, kaart met vier oogen, figuren: eene vier aanzetten, uitspelen; de vieren zijn er uit, uitgespeeld;
— met veel vieren en vijven, met veel tegenwerpingen, bedenkingen, uitvluchten;
— kaars van vier in een pond;
— sigaar van vier voor een dubbeltje : van de vier, viertjes rooken. VIERTJE, o. (-s).