Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Twee

betekenis & definitie

Het begrip twee heeft 2 verschillende betekenissen:

1. twee - twee - telw. hoofd- of grondgetal : één plus één: een geheel heeft twee halven; dat kost twee gulden ; (spr.) zeggen en doen zijn twee, tusschen zeggen en doen is nog een groot verschil;
— men kan geen twee heeren dienen, zie heer;
— het zijn twee handen op één buik, zij zijn het met elkander eens ;
dat is zoo klaar als tweemaal twee vier is, zie klaar;
— ’t heeft de waarde van een ranggetal in : Hoofdstuk twee; Willem Twee ; twee April;
— TWEEËN (het telw. TWEE, beschouwd als een zelfst. gebruikt bn. in ’t meerv.), twee personen : deel dit onder u tweeën; wij waren met ons tweeën ;
— twee deelen van hetzelfde geheel: iets in tweeën breken ;
— twee uren : op slag van tweeën,
— twee malen : hij deed het in tweeën.

2. twee - twee - v. (-ën), het cijfer der twee; eene Arabische twee en eene Romeinsche twee (II);
— (kaartsp.) eene kaart met twee eenheden: schoppentwee;
— zijde van een dobbelsteen met twee oogen : hij wierp de tweeën;
— tweetal: iets aan tweeën leggen. TWEETJE, o. (-s).