Wat is de betekenis van vier?

2019
2022-12-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vier

vier - Hoofdtelwoord 1. het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV vier - Zelfstandignaamwoord 1. het getal 4. vier - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren ♢ Ik vier 2. gebiedende wijs van vieren ...

Lees verder
2018
2022-12-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vier

vier - telwoord 1. telwoord dat ná drie komt ♢ een vierkant heeft vier hoeken 1. zo zeker als twee keer twee vier is [heel zeker] 2. iets in vieren delen ...

Lees verder
1997
2022-12-08
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

vier

Als vormvariant van vuur is dit zelfstandig naamwoord gebruikt in de bastaardvloek bij gans vier! Vier werd vaak opgevat als telwoord, zoals wij kunnen vaststellen in bij gans vier en vijven. zie vijf.

1992
2022-12-08
Symbolen

Hans Biedermann

vier

De vier is onder de symbolische getallen veel rijker aan associaties dan men op het eerste gezicht zou denken, omdat de drie veel hechter in het bewustzijn verankerd is. De vier houdt verband met het kruis en het vierkant (vier jaargetijden, paradij srivieren, temperamenten, lichaamssappen, hemelstreken, evangelisten, grote profeten Jesaja, Jeremia...

Lees verder
1973
2022-12-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vier

I. telw., 1. hoofdtelw., drie plus één; attr.: de vier elementen, jaargetijden, windstreken; iemand onder vier ogen iets zeggen, waarbij geen anderen tegenwoordig zijn; (zegsw.) zo zeker als tweemaal twee vier is, onbetwijfelbaar; 2. met de waarde van een rangtelw.: mei, 3. op zichzelf staand (in de verbogen vorm vieren)', wij...

Lees verder
1964
2022-12-08
voornamen

Voornamenboek

Vier

v -> Elvira (Zuid-Ndl.).

1963
2022-12-08
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

vier

: vierde rang (de), (i.h.b.:) laagste rang bij het lager onderwijs, dat was tot 1934 de vierde, daarna de derde (de rang van hulponderwijzer( )). Naast de genoemde opleidingen zijn er nog een aantal cursussen die opleiden voor de hulponderwijzersakte (zgn. 4de rang) en de boslandakte ( ), die via een staatsexamen behaald kunnen worden (Enc.Sur. 444...

Lees verder
1952
2022-12-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vier

num., fjouwer; — en een half, fyftel, fifel, fyfteheal; stuk land vanpondemaat, fjouwere; met z’n -en, fjouweresom.

1951
2022-12-08
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

vier

1. vier: vier; auf allen vieren, op handen en voeten; alle viere von sich strecken, handen en voeten uitstrekken; het hoekje omgaan; mit vieren fahren, met de vier rijden; wir waren zu vier, wij waren met z’n vieren; halb vier, ein Viertel vier; drie Viertel vier, half 4; kwart over drie; kwart voor 4. 2. Vier: vier.

Lees verder
1950
2022-12-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vier

I. telw., 1. hoofdtelw., zelfst. en bijv., drie plus één : tweemaal twee is vier ; de vier hemelstreken ; iem. onder vier ogen iets zeggen, waarbij geen anderen tegenwoordig zijn : — pronominaal: er zijn er nog vier ; — zij gingen vier aan vier, bij groepjes van vier ; — met de v...

Lees verder
1937
2022-12-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vier

1. o. (lit. t., Z.-N. vuur, bezieling): dat zet mijn ziel in verg. bestier; 2. bep. hoofdtelw. (bijvoeglijk): die vlag heeft vier kleuren, dieren met vier poten, (zelfstandig) drie en één is vier; het is bij vieren; met (ons) vieren; met de vier rijden, nl. met vier paarden; 3. v. vieren (cijfer, getalmerk) hij wierp twee vieren; zegs...

Lees verder
1930
2022-12-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

vier

I (vi:r) A. telw. 1. hoofdtelw. drie plus één : een (muziek)stuk voor handen. → muur, oog, plank. 2. rangteiw. vierde : hoofdstuk ; juni. B. (-en) I. Eig. hoeveelheid bestaande uit vier eenheden : hij heeft voor zijn proefwerk. Gez. het is bij, over -en, bij, over vier uur; hij deed het in -en. in vier achtereenvolgende malen;...

Lees verder
1898
2022-12-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Vier

Het begrip vier heeft 2 verschillende betekenissen: 1. vier - VIER - telw, hoofd- of grondgetal: drie plus één ; tweemaal twee is vier; de vier hemelstreken; iem. onder vier oogen iets zeggen, waarbij geene anderen tegenwoordig zijn; (muz.) een stuk voor vier handen, die door 2 personen op orgel of piano moeten gespeeld worden; zij gi...

Lees verder
1870
2022-12-08
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Vier

Vier is een deelbaar getal, het vierkant van 2 (2 x 2 = 4) en na de eenheid het kleinste vierkantsgetal. Het vervulde eene belangrijke rol in de getallenleer van Pythagoras (zie aldaar).

1864
2022-12-08
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Vier

Vier, telw. een getal; zij zijn met hun -en (vier in getal). *-, v. het cijfer 4.

1844
2022-12-08
vrijmetselaren

Woordenboek voor vrijmetselaren, 1844

Vier

VIER. Dit getal vooral was bij PYTHAGORAS heilig. De Pythagoreeërs noemden, gelijk PLUTARCHUS (in libro de Iside et Osiride) zegt, de Tetractys, of het heilige viertal, hetwelk het getal zes en dertig is, de wereld, dewijl dit zamengesteld is uit het getal 4 en 4 onevene getallen. 4*9 geven namelijk het getal 36, evenzeer zoo men de ongelijke...

Lees verder
1573
2022-12-08
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

vier

Quatuor. ger. vier: sax. veer: ang. foure, fovvere.

Lees verder