Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

SNORREN

betekenis & definitie

SNORREN - (snorde, heeft en is gesnord), een snorrend en brommend geluid geven : de pijl snorde van den boog; het snorrend spinnewiel;

— opzoeken : wat snor je toch ?;
— een koetsier laten snorren, laten rondrijden om te zien of hij een vrachtje kan vinden;
— iem. snorren, in een snorder ergens heen brengen. SNORRING, v. het snorren, gesnor.