Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Geluid

betekenis & definitie

GELUID, o. (-en), de door het gehoorwerktuig waargenomen trillende beweging der lucht: het geluid wordt door de lucht voortgeplant;

— de bepaalde soort van klank die door een persoon of zaak wordt voortgebracht: een zacht, een schel, een doordringend geluid; verdachte geluiden; het geluid van stemmen;
— de waarheid heeft een schoon geluid, is aangenaam om te hooren
— geluid geven een zekeren klank voortbrengen die viool geeft een mooi, een rond geluid, brengt volle tonen voort.;
— (spr.) ledige vaten geven het meeste geluid ijdele en oppervlakkige menschen hebben het meeste praats;
— (van personen) zij kon geen geluid geven, uitbrengen (van aandoening, benauwdheid enz.) geen kik geven, geen woord spreken;
— ik riep, maar hij gaf geen geluid hij antwoordde niet;
— ik heb zijn geluid nog niet gehoord, ik heb zijne stem nog niet gehoord; (ook; hij heeft tegen mij nog niet willen spreken. GELUIDJE, o. (-s), zacht geluid de kleine maakte allerlei geluidjes.