Wat is de betekenis van snorren?

2020
2021-07-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

snorren

1) (19e eeuw) (inf.) speuren; (op)zoeken; pakken. Syn.: op snor gaan. • "Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat te snorren, als je maar goed uit je ogen kijkt en voorzichtig te werk gaat." (C. Joh. Kieviet: De zoon van Dik Trom. 1907) • Ik za...

Lees verder
2019
2021-07-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

snorren

snorren - Werkwoord 1. (inerg) een snorrend geluid produceren Het toestel snorde zachtjes. 2. zich snorrend voortbewegen Hij kwam om de hoek gesnord. 3. ergatief zich op een snorfiets voortbewegen Ik ben maar naar hu...

Lees verder
2018
2021-07-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

snorren

snorren - regelmatig werkwoord uitspraak: snor-ren 1. een zacht, brommend geluid maken ♢ de gaskachel snort gezellig Regelmatig werkwoord: snor-ren ik snor jij/u snort ...

Lees verder
2014
2021-07-27
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

snorren

(heimelijk bedelen, nl. met de snorrepijp (’n kinderspeelgoed) rondgaan om geld op te halen), 1. zo onopvallend mogelijk rondgaan om te bedelen: Bedele mot ie met je dochter en mit jouw ... En dan zal je bij mijn nog motte komme om ’n korsie ouwbakke brood te sjnorre, JUL. DE VRIES 39; 2. (vroeger) met een rijtuig rondrijden om passagie...

Lees verder
1994
2021-07-27
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Snorren

[oorspr.: bédelen] (Barg.) ww losse baantjes of ongeregelde handel zoeken.

1952
2021-07-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Snorren

v., snoarje, snuorje, gounzje, gonzje.

1950
2021-07-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

SNORREN

(snorde, heeft en is gesnord), 1. een brommend geluid geven: het kacheltje snorde vrolijk; 2. zich onder het maken van een ruisend of gonzend geluid snel voortbewegen, inz. door de lucht: de pijl snorde van de boog; het snorrend spinnewiel; de kogels snorden ons om de oren; 3. (gemeenz.) speuren, (op)zoeken: wat snor...

Lees verder
1937
2021-07-27
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Snorren

Rondrijden door een koetsier of een autoverhuurder met het kennelijk doel, gelegenheid te krijgen om zijn rijtuig voor een rit te verhuren. Omdat de snorders het verkeer belemmeren, is in vele steden het snorren bij politieverordening verboden.

1898
2021-07-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SNORREN

SNORREN - (snorde, heeft en is gesnord), een snorrend en brommend geluid geven : de pijl snorde van den boog; het snorrend spinnewiel; — opzoeken : wat snor je toch ?; — een koetsier laten snorren, laten rondrijden om te zien of hij een vrachtje kan vinden; — iem. snorren, in een snorder ergens heen brengen. SNORRING, v. het sno...

Lees verder