Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Toch

betekenis & definitie

Toch - bw. van wijze om aan eene bevestiging, ontkenning, vraag, verzoek of wensch meer kracht bij te zetten : ja, het is toch waar; het is toch niet waar wat gij zegt;

— toch waar ?, is het toch waar, hé, ik dacht van niet;
— kom toch hier, uitroep van wrevel, van ongeduld;
— waar was hij toch ?; verlaat mij toch niet, ik bid u, ga niet heen: hij is toch nog gekomen, wij dachten, hij had gezegd enz., dat hij niet zou komen;
— ter uitdrukking van het beperkend tegenstellend zinsverband: hoe gaarne ik kom, toch blijf ik thuis;
— het redengevend zinsverband drukt het uit, als de eerste zin eene gedachte inhoudt, waarvan de tweede de oorzaak, reden of grond bevat: hem acht ik hoog, hij toch heeft mij op den goeden weg teruggebracht.