Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schijnen

betekenis & definitie

Schijnen - (hij of het scheen, hij of het heeft geschenen), glans, gloed, schijnsel, licht van zich geven : de zon schijnt; de zon heeft niet geschenen, is door wolken bedekt geweest; de maan scheen door de bladeren der hoornen;

— (spr.) hij laat de zon nooit van zich schijnen, hij geeft niets weg, is gierig;
— hij kan niet zien, dat de zon in *t water schijnt, dat een ander eenig genot smaakt;
— den schijn, het uiterlijke voorkomen van iets hebben: die zaak schijnt zoo; hij schijnt een braaf man te zijn; hij is niet wat hij schijnt (te zijn); zij schijnt mij toe (komt mij voor) veel geld te hebben;
— naar het schijnt, waarschijnlijk : het schijnt te zullen regenen, het ziet er uit, alsof het zal gaan regenen;
— het schijnt, dat hij gelijk heeft