Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gloed

betekenis & definitie

GLOED, m. hitte, warmte, die van eene vurige massa uitstraalt de felle gloed der zon; (ook) het vuur zelf: zij konden den gloed niet blusschen;

— (gew.) gloeiend zaagsel, waarmede de bakkersoven wordt gestookt; (ook) gloeiende houtskool of turfkool gloed in eene stoof doen;
— de warmte in het dierlijk lichaam ’s levens gloed; de koorts scheen eindelijk haar hoogsten gloed te hebben bereikt;
— (fig.) vuur, bezieling, vervoering in gloed geraken; hij sprak met gloed, met vuur, hartstochtelijk; de gloed der hartstocht;
— afschijnsel van vurige of lichtgevende voorwerpen de gloed van den brand was uren ver te zien; de lucht stond in gloed was vuurrood een donkere gloed kleurde zijne wangen, hij werd zeer rood (van toorn, van schaamte, van verlegenheid enz ); schittering de levendige gloed van zijn sprekend oog; een gloed van kleuren; de roode gloed der fonkelende robijnen;
— de glans (inz. die der nieuwheid) op geweven stoffen er ligt een prachtige gloed op dat fluweel; de gloed der nieuwheid is er af.