Maan betekenis & definitie

Maan v. (manen), een donker hemellichaam, dat zich niet onmiddellijk om de zon, maar om ééne der hoofdplaneten en met deze zich om de zon beweegt, ook bijplaneet, satelliet, wachter en trawant geheeten de aarde heeft slechts ééne maan; Mars heeft er twee, Jupiter zeven, Satumus tien, Uranus vier en Neptunus één; — inz. de satelliet der aarde: de maan schijnt; de maan komt op, gaat onder; het schijnsel, het licht van de maan; volle, lichte maan, de maan wast, neemt af; — (flg.) hij is naar de maan, hij heeft zich uit de voeten gemaakt; hij is verloren; hij is dood; — loop naar de maan !, loop heen loop naar den duivel!; — alles is naar de maan, alles is weg; (ook) men is alles kwijt; — naar de maan reiken, de maan met de handen willen grijpen, het onmogelijke willen doen — tegen de maan blaffen, noodelooze bedreigingen uiten; als de maan vol is, schijnt zij overal, als iemand gelukkig is, overvloed bezit, wil hij er anderen ook gaarne in doen deelen; — hij geeft er de maan aan, hij geeft er de brui van; — (Z. A.) hij is met de maan getikt, is in zijn geestvermogens gekrenkt; — 'k ga als de maan naar huis, ’k ga gauw naar huis; — (scherts.) het is bij hem volle maan, gezegd van een kaalhoofdige — bij hem komt de maan al door de wolken, hij begint al kaalhoofdig te worden; — een gezicht hebben als de volle maan, een vet en bolrond gezicht — als de maan drie tuiten (horens) heeft, nooit; — (plat) tegen de maan pissen, iets doen dat bij iem. ongenoegen verwekt, het bij iem. verkerven — halvemaanvormig versiersel; halvemaanvormig gebak; — (meetk.) zekere halvemaanvormige figuur; — (vest.) zeker vestingwerk, ravelijn. MAANTJE, o. (-s).

Laatst bijgewerkt 19-09-2018