Lamp betekenis & definitie

LAMP, v. (-en), werktuig dat dient ter verlichting staande lamp; hanglamp; petroleumlamp, gaslamp; olie in de lamp doen, (fig.) (Zuidn.) eten; — de lamp aansteken; — (R. K.) de eeuwige lamp, die steeds brandt voor het hoofdaltaar; (fig.) dat riekt naar de lamp, aan dit (letterkundig) werk is veel tijd besteed, het draagt sporen van met veel inspanning bewerkt te zijn; — de lamp des levens, het leven; — hij heeft geene olie meer in de lamp, zijne krachten zijn uitgeput; — (Zuidn.) dat is die in mijn lamp. dat is koren op mijn molen — hij is tegen de lamp geloopen, hij heeft zich tot den verkeerden man gewend, aan zijn vijand toevertrouwd, hij heeft eene ernstige vermaning gehad, eene scherpe berisping opgeloopen, eene leelijke ziekte opgeloopen enz.; (dicht.) de lamp der zon, het licht der zon. LAMPJE, o. (-s).