Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Ongemeen

betekenis & definitie

Ongemeen bn. bw. (-er, -st), ongewoon, niet alledaagsch : ongemeene kleederdrachten; eene ongemeene kleur van haar;

buitengewoon : een ongemeene rijkdom van gedachten; daarvoor is eene ongemeene wilskracht noodig;
— uitmuntende boven het alledaagsche : alleen een ongemeene geest kan zich tot zulke beschouwingen verheffen;
— bw. bijzonder : de schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend. ONGEMEENHEID, v. ongewoonheid; uitgezochtheid.