Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ALLEDAAGSCH

betekenis & definitie

Alledaagsch bn. (-er, -t, meest omschreven), alledaagsche koorts, die zich dagelijks herhaalt; alledaagsche kleeren, daagsche;

zeer gewoon, niet merkwaardig, zich door niets onderscheidende, niet uitmuntend (geringschattend gezegd): een alledaagsch gezicht; alledaagsche gezegden, voorvallen; een alledaagsch dichter.