Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Kleur

betekenis & definitie

KLEUR, v. (-en), indruk dien het oog krijgt van het licht dat door een voorwerp wordt teruggekaatst: de zeven kleuren van den regenboog; eene roode, blauwe kleur; zachte kleuren; schelle, schreeuwende kleuren; deze kleur verschiet;

— (spr.) hij oordeelt er over als een blinde over de kleuren, zie blinde;
— (fig.) hij wist alles met de schoonste kleuren te malen, alles zoo mooi mogelijk voor te stellen;
—hij weet aan alles een kleurtje te geven, anders voor te stellen dan het werkelijk is; iets in geuren en kleuren vertellen, met alle bijzonderheden:
—inz. gelaatskleur hij heeft eene bleeke, ongezonde kleur; zij heeft eene frissche kleur; (spr.) eene kleur als een boei hebben, vuurrood zien;
— eene kleur krijgen, schaamrood worden, blozen hij krijgt er eene kleur van; hij kreeg eene kleur als eene jongejuffrouw, hij bloosde sterk;
— (kaartsp.) eene der vier soorten van kaarten welke kleur maakt ge troef?
— kleur verzaken, dezelfde soort niet bijspelen;
— kleur bekennen, eene kaart van dezelfde kleur spelen als gevraagd wordt; (fig.) duidelijk laten blijken tot welke \ partij men behoort, voor zijne meening uitkomen;
— als uiterlijk kenteeken eener partij de pauselijke kleuren; vroeger droegen de ridders de kleuren hunner dame;
— partij, politieke meening: hij is niet van onze kleur; die man heeft geenerlei kleur, je laat niet blijken tot welke staatkundige partij hij behoort;
— staatkundige richting: welke kleur heeft dit dagblad ? KLEURTJE, o. (-s).