Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Ongewoon

betekenis & definitie

bn. bw. (...woner, -st), niet gewoon aan iets : wij zijn zulk een leven ongewoon; in strijd met gewoonte of regel: op ongewone tijden; zij deed daardoor niets ongewoons of onbehoorlijks;

— in een hogere mate dan waaraan men gewoon is zekere eigenschappen bezittende : er heerste die dag in het stadje een ongewone drukte;
— niet alledaags : hij was een ongewoon mens, en wel de moeite van het bestuderen waard.
ONGEWOONHEID, v.