Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onbeweeglijk

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), bewegingloos, roerloos : deze onbeweeglijke, geheel in den mardel gewikkelde gedaante; eenige oogenblikken onbeweeglijk blijven zitten; strenge en onbeweeglijke gelaatstrekken, die geene beweging vertoonen;

— niet bewogen kunnende worden, door geene kracht van zijne plaats te brengen, onwrikbaar : een onbeweeglijke rots;
— (fig.) (van pers.) onverzettelijk, onverbiddelijk, ongevoelig : heiligen blijven onbeweeglijk, staan ze ook al eene bede toe; (fig.) (van pers.) niet door gemoedsbewegingen, inz. angst en vrees, bewogen kunnende worden, onwrikbaar, onverschrokken: bij een der cavalerieaanvallen vond de hertog van Wellington den Prins op den heuvel, te midden van den strijd stond hij onbeweeglijk met de grootste koelbloedigheid zijne bevelen te geven; onbeweeglijk kalm was zijne houding; hij bleef een oogenblik onbeweeglijk stilstaan; zoo vast dat er aan geen bewegen te denken valt, onwrikbaar : de boot zat onbeweeglijk vast. ONBEWEEGLIJKHEID, v. bewegingloosheid, roerloosheid.