Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Rede

betekenis & definitie

Het begrip rede heeft 2 verschillende betekenissen:

1. rede - rede - v. denkvermogen; oordeel, gezond verstand: met rede begaafd;
— iem. tot rede brengen, maken dat hij weer naar gezond verstand luistert;
— naar rede luisteren, voor overreding vatbaar zijn;
— versta toch rede, luister toch naar goeden raad;
— het ligt in de rede, dat spreekt vanzelf, vloeit uit den aard der zaak voort.

2. rede - rede - v. (-n), uitdrukking van gedachten en gevoelens door woorden: de deelen der rede, de tien soorten, waarin de woorden eener taal naar hunne beteekenis verdeeld worden;
— gesprek: iem. in de rede vallen, hem beletten voort te gaan met spreken;
— houd u bij uwe rede, vergeet niet wat ge zeggen wilt:
— wat tegen iemand gezegd wordt: schimp-, smaad-, sprotrede;
— voordracht, vertoog, verhandeling: eene rede over het Naturalisme; eene rede voor de vuist houden.
— aanspraak, toespraak: lof-, lijk-, troonrede;
— iemand ter rede stellen, ter verantwoording roepen.