Maand betekenis & definitie

Maand v. (-en), het twaalfde gedeelte van een jaar, tijdsverloop van ± 30 dagen; de maand Februari heeft 28 en in een schrikkeljaar 29 dagen; ik heb deze kamer voor zes maanden gehuurd; — een kind van negen maanden, een voldragen kind; een kind van zeven maanden, een onvoldragen kind; — hij kreeg zes maanden, gevangenisstraf; (ook) termijn waarbinnen men een examen waarop men is afgewezen, niet mag overdoen. MAANDJE, o. (-s)

Laatst bijgewerkt 19-09-2018