Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Jaar

betekenis & definitie

JAAR, o. (jaren), de omloopstijd der aarde om : de zon, tijd van 12 maanden : burgerlijk jaar of kalenderjaar, van Jan. tot en met 31 Dec.;

kerkelijk jaar, sterrejaar of siderisch jaar; tropisch jaar of keerkringsjaar; maanjaar; dienstjaar; schrikkeljaar; nieuwjaar (zie op die woorden);
— in het jaar onzes Heeren, het jaar volgens de Christelijke jaartelling;
— jaar op jaar, ieder jaar;
— sjaars daarop, het volgende jaar;
— jaar in jaar uit, het eene jaar uit het andere weder in, d. i. zonder met het jaar te eindigen, steeds doorloopende, eene reeks van jaren achter elkander; iets van jaar tot jaar uitstellen, steeds, telkens weer;
— die hoed is van het jaar nul, is zeer ouderwetsch;
— in het jaar één, als de beesten spreken of als de uilen preeken, nooit;
— (recht.) jaar en dag, wettige termijn van bezit, verjaringstermijn (oudtijds : een jaar, zes weken en drie dagen) ; na jaar en dag op iets terugkomen, zeer lang daarna, wanneer anderen het reeds lang vergeten zijn;
— zeer lang: dingen, die sinds jaar en dag voor genoegens zijn aangenomen;
— ook met betrekking tot de temperatuur, den oogst: een warm jaar; een vruchtbaar jaar; een goed tarwejaar;
— magere en vette jaren, de nadeelige en de voordeelige jaren van tegenspoed en van voorspoed;
— in ’t algemeen met het oog op alles, wat in een jaar voorvalt: ik wensch u een goed, zalig jaar; deze boer is drie jaar pacht achter, heeft gedurende drie jaar geen pacht betaald;
— een kwaad jaar achter den rug hebben, waarin men met veel tegenspoed, zorg, ziekte enz. te worstelen had;
— ouderdom, leeftijd : een man van mijne jaren;
— hij is al op jaren, hij is al oud, al bejaard;
— (Zuidn.) op of tot zijn jaren komen, meerderjarig worden; zijn jaren hebben, meerderjarig zijn ;
— oud, jong van jaren;
— iem. van middelbare jaren, niet oud en niet jong;
— hij is zijne jaren vooruit, is boven zijn leeftijd ontwikkeld:
— hij heeft de jaren er voor, hij is er oud genoeg voor;
— in den bloei zijner jaren, op jeugdigen leeftijd;
— het verstand komt niet vóór de jaren;
— studiejaar: een medisch student van het derde jaar; hij is van een jaar ouder dan ik. JAARTJE, o. (-s).