Maagd betekenis & definitie

Maagd v. (-en), ongerepte jonge vrouw; (dicht, voor) meisje eene jonge maagd wordt ras gevraagd; hij moet een scherp gezicht hebben, die eene maagd zal kennen; — dienstbode, vgl. dienstmaagd, — (R.-K.) de Heilige Maagd, de Maagd Maria, de moeder Gods; de maagd van Orleans, Jeanne d’Arc; Vestaalsche maagd, zie Vestaalsch; (flg.) zijn degen is nog maagd, nog niet gebruikt; — zesde teeken van den dierenriem (ftp). MAAGDEKE(N), o. (-s), (dicht.) meisje; (Zuidn.) de jonge meisjes die in ‘t wit gekleed in eene processie gaan. MAAGDELIJN, o. (-s), jonge maagd.

Laatst bijgewerkt 19-09-2018