Gepubliceerd op 24-02-2020

Scherp

betekenis & definitie

Het begrip scherp heeft 3 verschillende betekenissen:

1. scherp - scherp - bn. bw. (-er, -st), goed snijdend (in tegenstelling met bot, stomp): scherpe messen, sabels, zwaarden, zeisen, scharen, dorens;
— (fig.) de honger is een scherp zwaard, het is pijnlijk niet te eten te hebben, (ook) door den honger gedreven, zal men veel dingen doen, die men anders afkeurt;
— met scherpe wapens vechten; eene scherpe vijl, naald;
— eene zaag scherp zetten, de tanden iets naar buiten om en om zetten;
— smal en spits toeloopend : scherpe hoeken, kanten en punten;
— (wisk.) een scherpe hoek, die kleiner is dan 90°;
— een paard scherp zetten, beslaan, met ijsnagels of scherpe kalkoenen beslaan, zoodat het op ijs en sneeuw niet uitglijdt;
— (zeew.) scherp gebouwd schip, met smallen spits toeloopenden bodem, waardoor het snel varen kan; een scherpe boeg;
— een sterken, soms pijnlijken indruk op de zinnen makende : scherpe mosterd, peper, tabak, kaas;
— de lucht, de wind is scherp, doordringend koud;
— scherpe koude, vinnige koude;
— een scherp geluid; een scherp vocht, vergif;
— scherpe pijnen, hevige, doordringende;
— een sterken, pijnlijken indruk op den geest makende: scherpe spot; een scherp verwijt; eene scherpe berisping; scherp berispen, verwijten; iem. scherpe woorden toevoegen; scherpe critiek;
— eene scherpe pen voeren, scherpe woorden neer schrijven, scherp critiek uitoefenen; eene scherpe tong hebben, bits, vinnig spreken;
— juist, nauwkeurig en duidelijk uitkomend (in tegenstelling met wat onmerkbaar in elkander overgaat): scherpe randen; iets scherp teekenen, schaduwen; die lijnen moeten wat scherper worden; scherp gestempelde munten; scherpe trekken in het gelaat hebben; de sneeuw kwam tegen den donkerblauwen hemel scherp uit; eene scherpe grens;
— snel, nauwkeurig en bepaald waarnemende: scherpe zintuigen; een scherp gehoor, gezicht hebben; scherp zien, hooren, toeluisteren;
— hij ziet scherp, merkt dadelijk waar het op aankomt;
— een scherp verstand; scherp opmerken; iets scherp in het oog vatten;
— nauwkeurig, zorgvuldig en zonder zwakheid, zooals iets wezen moet: scherp examineer en, onderzoeken; iem. een scherp verhoor afnemen; scherp toezicht uitoefenen; iem. scherp bewaken; scherp op iets letten;
— heftig, zonder na te laten : een scherp gevecht, een scherpe strijd; het ging er scherp toe, met woorden of met daden; in (een) scherpen draf.

2. scherp - scherp - o. kogels, schroot: een geweer met scherp laden; met scherp schieten; zet er dubbel scherp op, laadt dubbel;
— (zeew.) alle ijzerwerk aan boord; groot en klein scherp.

3. scherp - scherp - o. scherpe zijde : het scherp van de sabel; het scherp van een mes;
— (zeew.) het van onderen smal toeloopende deel van een schip;
— zekere mixtuur in het orgel, zoo geheeten naar haar schel geluid.

< >