Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bruid

betekenis & definitie

BRUID, v. (-en), in ondertrouw opgenomen meisje of vrouw (ook nog tijdens de bruiloftsviering zoo genoemd);

zij is de bruid, ondertrouwd; (gemeenz.) eene bruid op de trappen, wier huwelijk niet is voltrokken, ook eeuwige bruid;
— het is eene kranke bruid, van iets gezegd, dat teer behandeld moet worden;
— met de bruid naar bed gaan, een onverwacht geluk krijgen, dat eigenlijk voor een ander bestemd was;
— men kan wel dansen, al is ’t niet met de bruid, men kan wel vergenoegd zijn, al bereikt men niet het hoogste;
— zij is de koperen, zilveren, gouden bruid, viert de koperen, zilveren of gouden bruiloft; (dicht.) verloofde;
— (dicht.) eene bruid des hemels, van Christus, eene non;
— (R.-K.) bruidjes van Jezus, meisjes die hare eerste communie doen;
— de kerk is Christus' bruid. Bruidje, o. (-s), een lief bruidje.