Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gekleed

betekenis & definitie

GEKLEED, bn. gereed met zich te kleeden, en dus zijne kleederen (inz. de bovenkleederen) aanhebbende. zoodat men zich in het openbaar kan vertoonen; ik sta al een uur te wachten, ben je nog niet gekleed ?; hij was zeer slordig gekleed; hij is altijd netjes gekleed; in t zwart, in ’t wit gekleed:

— zulk eene kleeding dragende, als het fatsoen voorschrijft bij het deelnemen aan feestelijke of plechtige bijeenkomsten: wél, wat ben je vandaag gekleed !;
ik heb voor die partij bedankt, omdat ik daarvoor gekleed moest zijn en ik mijn galapak op reis niet had meegenomen;
— (van kleederen of de kleeding in ’t algemeen) van zulk eene stof en zulk een maaksel als het fatsoen voorschrijft bij feestelijke of plechtige bijeenkomsten: een gekleede rok; een gekleed vest; een gekleed pak; zou die jas wel gekleed zijn ?;
— gekleed staan (van kleederen gezegd), aan den persoon, die ze draagt, het voorkomen geven van iemand die naar den eisch gekleed is, (in deze bet. met de trapp. v. vergel.: gekleeder, gekleedst, meer en meest gekleed): doe een witte das om, dat staat gekleed; trek uw witte handschoenen aan: dat staat gekleeder; (spott.) hij heeft op zijne aartjes een adellijk kroontje laten drukken: dat staat gekleed.