Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aandoen

betekenis & definitie

Aandoen - (deed aan, heeft aangedaan,) aantrekken (kleederen, schoenen); zich bekleeden met (versierselen); aangorden (een zwaard); (fig.) ijver, gerechtigheid aandoen, ijverig, rechtvaardig worden;

- den nieuwen mensch aandoen, een beter mensch worden, zich bekeeren; (fig.) veroorzaken (den dood, verdriet, pleizier): dat zal je den dood niet aandoen; berokkenen, teweegbrengen, (beleediging, overlast); iemand een proces aandoen, in rechten vervolgen; aanvallen, aanranden; gevoelig maken, treffen: dat geraas doet mijne ooren pijnlijk aan; een scherpe noordenwind doet de longen aan; (fig.) met weemoed vervullen: uwe woorden deden hem aan; eene plaats, eene haven aandoen, onderweg, op reis er kort vertoeven; het land aandoen, naderen, in het gezicht van het land varen.