Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WARM

betekenis & definitie

WARM - bn. bw. (-er, -st), minder dan heet: warm weer; warme spijzen; warme baden; het is warm vandaag;

— een warmen dag hebben, (fig.) waarop men zich erg inspannen, waarop men hevig strijden moet;
— melk warm van de koe, pas gemolken;
— eene warme kamer, waarin gestookt wordt;
— de natuurlijke warmte des lichaams bijeenhoudend : eene warme jas; zich warm kleeden;
— er warm in zitten, warm gekleed zijn; (fig.) goed j bemiddeld zijn;
— (fig.) hartelijk, welgemeend; een warm onthaal vinden; een warme handdruk;
— het ging er warm toe, er werd hevig gestreden;
— (fig.) warm worden, boos, kwaad worden; iem. het hoofd warm maken, iem. opwinden, tot drift ; aanhitsen, hem lastig zijn;
— een warm voorstander der kunst;
— hartstochtelijk warme liefdesbetuigingen; een warme vrijer; (ook in betrekking tot de geslachtsdrift) geil, wellustig : die meid is warm; zich wam maken, de geslachtsdrift prikkelen; hij is warm van natuur, de geslachtsdrift werkt sterk ; bij hem;
— (schild.) warme kleuren, warm van toon, die het schoonheidsgevoel aangenaam aandoen.