Wat is de betekenis van Kind?

2021
2021-12-05
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Kind

Een kind is een mens jonger dan achttien jaar. Een kind is een nakomeling van een man en een vrouw in de vorm van een zoon of een dochter. Kinderen zijn mensen met de leeftijd van nul tot achttien jaar. Dit is vastgesteld door het Verdrag inzake de rechten van het kind. Er kan ook sprake zijn dat de nationale wetgeving van een land bepaalt dat een...

Lees verder
2020
2021-12-05
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kind

(1988) (homotaal) koosnaam van homo's onderling. Ook: kindje. Kinderen slaat dan weer op iemands homoseksuele vrienden. • Kind, al vele eeuwen een koosnaampje van homo's onderling. Oortman merkte ‘dat deselve personen in hun discours (aan het einde van de achttiende eeuw) elkander kind noemden, meestal twee aan twee zaten, elkander de kn...

Lees verder
2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kind

kind - Zelfstandignaamwoord 1. mens tussen 0 en 18 jaar Kinderen mogen niet gaan stemmen. 2. persoon voortkomend uit, zoon of dochter Zij laat haar kind bij de oppas achter. Woordherkomst afkomstig van: Middelnederlands: kint Ouderneder...

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kind

kind - zelfstandig naamwoord 1. mens die nog niet volwassen is ♢ zij hebben twee kinderen 1. zo blij als een kind [heel erg blij] 2. hij is een kind van zijn tijd ...

Lees verder
2017
2021-12-05
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Kind

Kind - een kind krijgen van iets: ergens van balen. In Ned.-Indië kende men de variant een anak krijgen van iets (Mal. anak = kind).

2000
2021-12-05
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Kind

Kinderen Gods, des Heren, gelovigen; soms in het algemeen: mensen. Kinderen des lichts, uitverkorenen, gelovigen; verlichte geesten. Beide verbindingen horen eigenlijk thuis in het taalgebruik van gelovige christenen, maar worden, vooral in ironiserende zin, ook daarbuiten wel aangetroffen. Zie voor een bijbelse bron bijvoorbeeld Johannes 1:12: ‘D...

Lees verder
1997
2021-12-05
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

kind

In het hedendaags Nederlands komen de volgende verwensingen voor: krijg een koperen kind, dan kun je je de hele dag de klere, de tering, de tyfus poetsen of dan kun je je de kanker poetsen; krijg een kind met een gouden hoofd! (Van Eijk 1978: 80); krijg een kind met een koperen kin, kop, dan kun je je (de hele dag) lam, de klere po...

Lees verder
1990
2021-12-05
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

kind

kind - Mensen die zich in de eerste ontwikkelingsfase van het leven bevinden.

1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kind

o. (-eren, in de spreekt, ook -ers), 1. (op zichzelf beschouwd) mens in onvolwassen staat, klein nog jong mens (e): een straat vol spelende kinderen; toen ik een — was, sprak ik als een —; van kind(s) af, van — af aan, sinds de vroegste leeftijd; (spr.) kinderen en gekken (of dronken mensen) zeggen de waarheid; als de kinderen maa...

Lees verder
1955
2021-12-05
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

KIND

is de vrucht van het huwelijk en een zegen Gods daarvan. Kinderrijkdom wordt door de Schrift dan ook altijd als een zegen gezien en als zodanig aan de patriarchen en later aan Israël beloofd (Gen. 12 : 2; Deut. 28 : 4). De Bijbel spreekt zeer veel over het kind en het Hebreeuws heeft verschillende namen voor de onderscheiden kinderleeftijden....

Lees verder
1954
2021-12-05
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Kind

infantum, een nog niet geslachtelijk ontwikkeld jong mens, in het bijzonder tussen de leeftijd van 6 en 11 jaar („schoolkind”). Vgl. zuigeling, kleuter, puber, adolescent, volwassene.

1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kind

s.n., bern (it), pl. bern; eenkrijgen, bernhelje; veel van -eren houdend, bernich; — uit het eerste huwelijk, foarbern (it); — noch kraai hebben bern noch boet, kyn noch kúk, moer noch minske hawwe; ergensaan huis zijn, earne oates en toates wê...

Lees verder
1950
2021-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kind

o. (-eren, -ers), 1. (op zichzelf beschouwd) mens in onvolwassen staat, klein, nog jong mens van het ene of het andere geslacht: een straat vol spelende kinderen ; een kind van zes jaar; hij houdt veel van kinderen; toen ik een kind was, sprak ik als een kind; de plaats waar men kind geweest is, waar men zijn eerste jeugd heeft doorgebracht;...

Lees verder
1937
2021-12-05
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kind

o. kinderen, kinders, verkl. kindje, kindjes of kindertjes: (1 afkomeling van menselijke ouders: a) voor, tijdens of onlangs na de geboorte, in de eerste levensjaren, in de jaren der ontwikkeling, b) met betrekking tot afstamming en bloedverwantschap; 2 oneig.: a) in toepassing op jongelieden o. a. jong meisje, b) in toepassing op volwassenen o. a....

Lees verder
1933
2021-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Kind

Kind is de mensch van de geboorte tot na de rijping. In onze streken wordt het meisje gemiddeld op het 13e-16e jaar, de jongen op het 14e-16e jaar geslachtsrijp. Hieraan sluit de labiele periode aan, waarin het k. geen k. meer is, en ook nog geen volwassene is. In de allereerste levensmaanden heet het k. zuigeling. Zie ook het artikel → Kleute...

Lees verder
1926
2021-12-05
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Kind

De bijzondere verschijningsvorm van den mensch als kind is, als een voorbereidende bestaansvorm, van groote beteekenis. Het kind is de komende mensch, en de kinderen tezamen vormen de komende maatschappij. Gods Woord is de kenbron zoowel van het wezen en het bestaan, als de regel voor de opvoeding van het kind, dat een afzonderlijk persoon is, begi...

Lees verder
1916
2021-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Kind

Kind. - De periode van het k.-zijn reikt vanaf de geboorte tot op het oogenblik, waarop de groei zijn einde bereikt en de kinderlijke voor den volwassen toestand plaats maakt. Het tijdperk van den kinderlijken leeftijd wordt weer in verschillende perioden verdeeld. Vanaf de geboorte tot op het tijdstip, waarop de borstvoeding eindigt, spreekt men v...

Lees verder
1898
2021-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kind

KIND, o. (-eren, -ers), de mensch in zijne kindsheid hij houdt veel van kinderen; toen ik een kind was, sprak ik als een kind; — (spr.) kinderen en gekken (of dronken menschen) zeggen de waarheid; — is de man een kind geworden ?, als sarcastische aansporing om iets te doen; — een kind om eene boodschap sturen, (in het kaartsp.)...

Lees verder
1870
2021-12-05
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Kind

Kind. De kinderlijke leeftijd loopt van de geboorte tot aan den 13tot 15-jarigen ouderdom en kan gevoegelijk verdeeld worden in den zuigelingstijd (het eerste levensjaar), — den lateren kinderlijken leeftijd, van het tandenkrijgen tot aan het wisselen der tanden (van het einde van het eerste tot aan het 7de jaar), — en in het laatste gedeelte (van...

Lees verder