Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Keeren

betekenis & definitie

KEEREN, (keerde heeft en is gekeerd), wenden, draaien, iem. of iets in een tegenovergestelden stand brengen, van richting doen veranderen eene kaart keeren. omkeeren;

— kaas keeren, omleggen;
— een wagen, een schip keeren, wenden; hoe gij het wendt of keert, het blijft een vreemd zaakje, hoe gij het ook bekijkt of voorstelt;
— (gen.) een kind keeren, voor de verlossing in betere ligging brengen;
— (kleerm ) eene jas, een rok keeren, wat buiten was binnen brengen;
— (fig.) zijn rokje keeren, van partij of van gevoelen veranderen;
— (w. g.) iem. den rug keeren, toedraaien, heengaan; (ook) niets met hem te maken willen hebben;
— de fortuin heeft hem den rug gekeerd, heeft hem verlaten;
— zijn hart tot God keeren, zich tot God wenden, zijn wereldsch leven vaarwel zeggen;
— iets ten beste keeren, aan eene zaak eene voor iem. gunstige richting geven de Voorzienigheid zal alles ten beste keeren;
— te keer gaan, beletten, tegengaan, verhinderen: de vijand is niet te keeren; wie zal dat kwaad keeren ?;
— de Hemel keere het! verhoede het!;
— het water keeren, tegenhouden;
— (gew.) hij kon goed zijn kantje keeren, hij kon behoorlijk eer aan zijne zaken doen;
— zij zal haar kantje wel keeren, zij zal voor hare zaken wel goed opkomen;
— het ergens kunnen keeren, het kunnen volhouden;
— van richting veranderen, eene andere richting nemen, omdraaien de koetsier kon in die nauwe straat niet keeren;
— de wind keert, gaat uit een anderen hoek waaien;
— de ziekte keert, neemt eene gunstige wending;
— de kans kan keeren, verkeeren, veranderen;
— het blaadje is gekeerd, de zaken zijn veranderd;
— teruggaan: naar huis keeren; rechtsom keert (commando);
— (spr.) beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald;
— in zichzelven keeren, ernstig over zichzelven, over zijn eigen gedrag nadenken;
— zich keeren, zich wenden: keer u eens rechts;
— ik weet mij niet te keeren of te wenden, (fig.) ik weet geen raad;
— zij keerden zich tegen ons, waren ons vijandig, weerstreefden ons;
— zij keerden zich tot ons, kwamen bij ons (om inlichtingen b. v.);
— de ziekte heeft zich ten goede gekeerd;
— zich aan iets of iem. keeren, zich bekreunen om hij keert zich aan niets. KEERING, v. (-en), het keeren; wending, omdraaiing; (zeew.) mastkoker op haringbuizen.