Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Kaart

betekenis & definitie

KAART, v. (-en), speelkaart: een spelkaarten; de kaart geven, steken, afnemen; de kaarten doorschieten, wasschen; de kaart vergeven, valsch geven; eene mooie kaart hebben, voordeelig om te spelen;

— de kaart leggen, waarzeggen uit de kaarten, kunstjes met de kaarten doen;
— iem. in de kaart kijken of zien, (ook fig.) zijne geheime plannen, bedoelingen enz. doorzien;
— zich in de kaart laten kijken, zijne plannen, oogmerken voor anderen niet weten te verbergen;
— in de kaart der tegenpartij spelen, de plannen der tegenpartij bevorderen;
— met open kaart of kaart op tafel spelen, niets verbergen;
— de kaarten duiken, zijn spel niet laten zien; (fig.) zijn oogmerk verborgen houden:
—alles op ééne kaart zetten, zijn geluk van ééne enkele handeling laten afhangen;
— dat was eene doorgestoken kaart, eene afgesproken zaak;
— (sprw.) de gekken krijgen de kaart, het geluk helpt de onverstandigen of dommen;
— een spel kaarten: eene bespeelde kaart, waarmede reeds gespeeld is; eene nieuwe kaart;
— ook van andere spelen : kaarten van het schimmel-, kienspel;
— een stijf en glad, grooter of kleiner stuk kaartenblad (karton), gewoonlijk in den vorm van een rechthoek gesneden en met 't een of ander bedrukt of beschreven, inz. toegangskaart: deze kaart geeft toegang tot de gebouwen der tentoonstelling; ik heb nog geen kaart voor de uitvoering van heden avond; vgl. spijskaart, staalkaart en kaartje;
— eene teekening van de aarde of een deel daarvan, van den hemel enz. : topographische kaart; plaatsen op de kaart aanwijzen;
— eene afgezette kaart, gekleurde;
— eene blinde kaart, waarop de ligging der plaatsen, rivieren enz. is aangegeven, zonder bijvoeging van den naam; kadastrale kaart;
— (fig.) de kaart van het land goed kennen, de toestanden, gewoonten enz. van zijne omgeving, van de maatschappelijke kringen goed kennen;
— hij vaart maar op eene platte kaart, zijn begrip reikt niet ver.