Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Brengen

betekenis & definitie

BRENGEN, (bracht, heeft gebracht), in de onmiddellijke nabijheid, in iemands handen of bezit doen komen breng mij morgen dat boek eens; breng dien man eens bij mij; breng nog een paar stoelen, hier, bij mij, in de kamer;

— deze trein brengt ons naar Amsterdam;
— de bode heeft een pakje gebracht, bezorgd;
— te bed brengen, in bed leggen;
— eene vrouw in eene familie brengen, door huwelijk;
— iets in veiligheid brengen, op eene veilige plaats, in bewaring;
— op tafel brengen, opdisschen;
— iets ter tafel, te berde brengen, ter sprake brengen, opperen;
— het gesprek op iets brengen;
— (fig.) wat zal de tijd ons brengen ? wat staat ons te wachten ?
— wat brengt u hier ? wat is de reden uwer komst ?
— hij heeft mij goed nieuws gebracht, meegedeeld;
—de hand aan de muts brengen, op militaire wijze groeten;
— de kinderen moeten gehaald en gebracht worden, naar een partijtje bv.;
— (w. g.) hei iemand brengen, zijne gezondheid drinken (toebrengen);
— (Zuidn.) het iem. brengen, hem de waarheid zeggen, streng berispen;
— hoe kunt gij ’t over uw hart brengen ? hoe kunt gij zoo hard zijn ?
— jawel! morgen brengen! dat kan je begrijpen! dat gebeurt niet!;
— in een zekeren toestand doen komen dat brengt mij in verrukking; tot slavernij brengen; onder het juk brengen; in aanraking met de justitie brengen; in kennis met iemand brengen;
— iets in teekening brengen, het teekenen;
— iets op papier brengen, opschrijven;
— iets in rekening brengen, het op de rekening zetten; ervoor doen betalen, (fig.) doen meetellen;
— iets onder woorden brengen, in een bepaalden vorm uitspreken;
— een tekst op muziek brengen, van muzieknoten voorzien, ten einde hem te kunnen zingen of spelen;
— water aan de kook brengen, doen koken;
— iets ten einde brengen, voltooien;
—iets in orde brengen;
— tot stand brengen, doen ontstaan;
— eene misdaad aan het licht brengen, openbaar doen worden;
— een kind ter wereld brengen, doen geboren worden;
— iemand ter dood brengen, het doodvonnis aan hem voltrekken;
— iem. om het leven brengen, hem het leven doen verliezen, dooden;
— iem. tot den bedelstaf brengen, doodarm maken;
— hij zal het ver brengen, tot fortuin, tot aanzien komen;
— hij is er niet toe te brengen, te bewegen, over te halen;
— iem. tot rede brengen, tot zijn plicht brengen, door bestraffing doen bukken, tot plichtsbetrachting nopen;
— iem. iets aan het verstand brengen, doen begrijpen, doen inzien;
— iem. iets ander het oog brengen, hem er nadrukkelijk op wijzen;
— iem. aan ’t twijfelen brengen, doen twijfelen;
— een kind in slaap brengen, doen inslapen;
— in veiling brengen, bij opbod verkoopen;
— iets aan den man brengen, verkoopen;
— zijne dochters aan den man brengen, uithuwelijken;
— aardigheden aan den man brengen, vertellen:
— iets te binnen brengen, herinneren;
— dit bracht mij er op, maakte, dat ik er aan dacht;
— (Zie verder BEEN, DAG, MIDDEN, OMVRAAG, WEG enz.) BRENGER, m. (-s), brenger dezes, in brieven; BRENGING, v.; BRENGSTER, v. (-s).