Brengen betekenis & definitie

BRENGEN, (bracht, heeft gebracht), in de onmiddellijke nabijheid, in iemands handen of bezit doen komen breng mij morgen dat boek eens; breng dien man eens bij mij; breng nog een paar stoelen, hier, bij mij, in de kamer; — deze trein brengt ons naar Amsterdam; — de bode heeft een pakje gebracht, bezorgd; — te bed brengen, in bed leggen; — eene vrouw in eene familie brengen, door huwelijk; — iets in veiligheid brengen, op eene veilige plaats, in bewaring; — op tafel brengen, opdisschen; — iets ter tafel, te berde brengen, ter sprake brengen, opperen; — het gesprek op iets brengen; — (fig.) wat zal de tijd ons brengen ? wat staat ons te wachten ? — wat brengt u hier ? wat is de reden uwer komst ? — hij heeft mij goed nieuws gebracht, meegedeeld; —de hand aan de muts brengen, op militaire wijze groeten; — de kinderen moeten gehaald en gebracht worden, naar een partijtje bv.; — (w. g.) hei iemand brengen, zijne gezondheid drinken (toebrengen); — (Zuidn.) het iem. brengen, hem de waarheid zeggen, streng berispen; — hoe kunt gij ’t over uw hart brengen ? hoe kunt gij zoo hard zijn ? — jawel! morgen brengen! dat kan je begrijpen! dat gebeurt niet!; — in een zekeren toestand doen komen dat brengt mij in verrukking; tot slavernij brengen; onder het juk brengen; in aanraking met de justitie brengen; in kennis met iemand brengen; — iets in teekening brengen, het teekenen; — iets op papier brengen, opschrijven; — iets in rekening brengen, het op de rekening zetten; ervoor doen betalen, (fig.) doen meetellen; — iets onder woorden brengen, in een bepaalden vorm uitspreken; — een tekst op muziek brengen, van muzieknoten voorzien, ten einde hem te kunnen zingen of spelen; — water aan de kook brengen, doen koken; — iets ten einde brengen, voltooien; —iets in orde brengen; — tot stand brengen, doen ontstaan; — eene misdaad aan het licht brengen, openbaar doen worden; — een kind ter wereld brengen, doen geboren worden; — iemand ter dood brengen, het doodvonnis aan hem voltrekken; — iem. om het leven brengen, hem het leven doen verliezen, dooden; — iem. tot den bedelstaf brengen, doodarm maken; — hij zal het ver brengen, tot fortuin, tot aanzien komen; — hij is er niet toe te brengen, te bewegen, over te halen; — iem. tot rede brengen, tot zijn plicht brengen, door bestraffing doen bukken, tot plichtsbetrachting nopen; — iem. iets aan het verstand brengen, doen begrijpen, doen inzien; — iem. iets ander het oog brengen, hem er nadrukkelijk op wijzen; — iem. aan ’t twijfelen brengen, doen twijfelen; — een kind in slaap brengen, doen inslapen; — in veiling brengen, bij opbod verkoopen; — iets aan den man brengen, verkoopen; — zijne dochters aan den man brengen, uithuwelijken; — aardigheden aan den man brengen, vertellen: — iets te binnen brengen, herinneren; — dit bracht mij er op, maakte, dat ik er aan dacht; — (Zie verder BEEN, DAG, MIDDEN, OMVRAAG, WEG enz.) BRENGER, m. (-s), brenger dezes, in brieven; BRENGING, v.; BRENGSTER, v. (-s).

Laatst bijgewerkt 01-09-2018