Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

STAND

betekenis & definitie

STAND - m. (-en), wijze waarop men staat, houding : zich in verschillende standen laten photographeeren;

— plastische standen, schilderachtige houdingen die men eenigen tijd onbeweeglijk bewaart, fraaie standen aannemen;
plaats waar iets staat, gesteldheid, toestand: dit huis staat op goeden stand, is gunstig gelegen;
— een huis op stand, in eene voorname buurt, gunstig voor iets gelegen;
— den stand moet men bij een huis ook betalen;
— de stand der zon, der maan, der sterren, waar zij zich aan den hemel bevinden;
— de stand des hemels;
— de vier standen der maan, de schijngestalten;
— de stand van het water, hoe ver, hoe hoog het staat;
— de stand van den thermometer, barometer, hoe hoog zij aanwijzen;
— naar den stand van zaken vragen, hoe het er mee gesteld is;
— de stand der beurs, de koers;
— de stand der prijzen, hoe hoog alles geprijsd is;
— eenigen tijd duren : iets in stand houden; dat zal wel in stand blijven;
— behoorlijke toestand van iets: hij heeft veel goeds tot stand gebracht; die wet zal wel nooit tot stand komen; het verdrag kwam tot stand;
— klasse, rang van menschen die door geboorte, levenswijze, beroep of bedrijf min of meer van de andere afgezonderd zijn: de hoogere, de lagere standen, de aanzienlijken, de mindere klasse; de derde stand, de burgers; de vierde stand, de arbeiders; de stand der priesters, der officieren, der geleerden, der onderwijzers; de winkelstand; menschen van elken rang en stand., allerlei menschen; boven zijn stand gekleed gaan; beneden zijn stand trouwen; overeenkomstig zijn stand wonen; in zijn stand blijven; iemand van stand, een aanzienlijke;
— de burgerlijke stand, het bureau op een gemeentehuis waar alle aangiften betreffende geboorten, overlijden en huwelijken moeten gedaan worden : een land bij den burgerlijken stand aangeven; ambtenaar van den burgerlijken stand.