Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Hun

betekenis & definitie

1. HUN, pers. vnw., m. mv., 3de nv. van hij : ik zal het hun geven; hebt ge hun geschreven ? Vgl. HEN (2de art.). .

2. HUN, bez. vnw. van den 3den pers., m. mv. : hun vaderland'; hunne kinderen; hunne blijdschap was groot; dat zijn onze boeken niet, maar de hunne; (zelfst. gebruikt) de minnen, hun gezin: zij hebben geen brood voor de hunnen.